Het plezier van Punkie

Oude linde. Rododendron. Plataan. Dikke beuk. En nog een keer. Oude linde. Rododendron. Plataan. Dikke beuk. Het gaat maar door. Ik draai maar rond en rond. Oude linde. Rododendron. Plataan. Dikke beuk. Ik lig met mijn wang op de koppijnschijf in het park. Punkie ook, met zijn plezier. Bomen komen voorbij. Oude linde. Rododendron. Plataan. Dikke beuk. Geen idee hoe het toestel officieel heet. Maar het werkt met middelpuntvliedende krachten. Ik moet me vasthouden of ik rol eraf. Het plantsoen is een groene veeg met een bruine rand van boomschors. Het probeert me op te zuigen, leeg te slurpen, me van mijn waardigheid te beroven.

Oude linde. Rododendron. Plataan. Dikke beuk. Wie verzint die speeltuigen! Fantallica Saturnus Draaischijf, zo staat in de cataloog van de Duitse fabrikant. Diameter 250 centimeter. Ellendige Pruisen. In plaats van hun draaischijven klein te bouwen, zodat ze geen grote mensen kunnen dragen. Tollkopf krijg ik ervan, met bijpassende oogbollen. Ik voel me de muffe assistente van een Duitse messenwerper. Hij heeft het staar. Ik ben kotsmisselijk. Het is geen mooie vertoning. Ik zoek wanhopig naar een compromis, tussen het plezier van Punkie en de normale werking van mijn ingewanden.

Oude linde. Rododendron. Plataan. Dikke beuk. En voor de toeschouwers: Punkie. Waarschuwingen. Klachten. Vrouw van 40. Punkie. Waarschuwingen. Klachten. Vrouw van 40. We draaien samen door. Uit het park stijgen dikke tekstballonnen op. ‘Nee. Stop. Direct moet ik overgeven. Nee. Stop. Echt waar. De tijd zal komen dat je het niet meer leuk vindt, je oude pleegmoeder die middelpuntvliedend overgeeft in de speeltuin. Nee. Stop. Ik kan er niet meer tegen. Ziek word ik ervan!’ Oude linde. Rododendron. Plataan. Dikke beuk. Punkie lacht. Wat ik allemaal doe voor het plezier van Punkie. Uitslover ben ik. Het is om mottig van te worden.

Wacht. Anders moet ik het eens op mijn rug proberen. Oude linde. Rododendron. Plataan. Dikke beuk. De lucht is lichtblauw, in een krans van takken en bladeren. Ik moet intussen lijkbleek zien. Mijn bloed is als een razende troepenmacht naar mijn slokdarm gestormd. ‘Houd dat klepje dicht! Mannen! Houd dat klepje dicht! Voor het corpus corporis zich met geweld binnenstebuiten keert. Houd in godsnaam dat klepje dicht!’ Ik weet niet hoelang ik het nog trek. Waarom wil dat kind ook altijd op die koppijnschijf. Samen. En trouwens. Waar is mijn tas!

Ah. Daar staat mijn tas. Ik ben een vrouw met een tas, maar ik ga ten onder in een draaikolk voor kinderen. De hel is rond, geloof ik. Oude linde. Rododendron. Plataan. Dikke beuk. Zondagmiddag gaat voorbij. Het wordt stil in het park. De schijf piept. Punkie geniet. Een kraai gaat ergens anders zitten. Ik zwijg. Ik klem mijn kaken op elkaar omdat ik mijn eigen opwerpingen niet meer vertrouw. De woorden die ik bedoel, zouden weleens keelklanken kunnen zijn, en natte brokjes. Voor het plezier van Punkie is het beter om alleen nog te dénken. Dit is de kroniek van een aangekondigde uitgave. Oude linde. Rododendron. Plataan. Dikke beuk. Braak.

(eerder  verschenen in De Standaard Magazine)