Glósóli is een liedje over de zon, van de de IJslandse band Sigur Rós. Er hoort er een videoclip bij, met kinderen die een klif op rennen, sprookjesachtig en wrang tegelijk. Alleen een slecht mens blijft er onbewogen bij. Zo bleek ook toen ik zelf naar adem stond te happen op die klif, 70 kilometer ten zuiden van Reykjavik, in het puntje van Reykjanes.

Rafnar Hermannsson was erbij, als producer, in 2005, toen de videoclip van Sigur Rós werd opgenomen. Het budget was klein en de kinderen die figureerden waren met veel. Daarom moest het snel gaan.Twee dagen en gedaan. Geen gedoe. Geen poeha. Rafnar Hermannsson stuurt een punaise terug op Google Maps. Daar is de klif! Niet ver van de luchthaven van Kevlavik. Alleen in de winter is het misschien wat moeilijker te bereiken. Of toch zonder 4×4.
Ik kan mezelf wel voor de kop slaan voor het stomme plan. In plaats van gewoon naar het kasteel van Captain von Trapp te gaan, in Salzburg. Maar nee, Glósóli! Een ode aan de zon in IJsland! De zon schijnt ‘s winters niet eens in IJsland. Ga in die zwarte kou maar eens een rots zoeken. Valahnúkur heet hij officieel, niet ver van Þórsmörk, het bos van Thor, met een onvoorspelbare, ijskoude rivier. Het is gevaarlijk om hem over te steken, dreigt Wikipedia. Goddank staan er ook fouten op internet. Of er bestaan twéé Valahnúkurs, maar dat wist ik dus op voorhand allemaal niet. Daarom wilde ik een man mee op reis, mijn man, met een zaklamp en een lange onderbroek.
Achteraf bekeken had het gerust zonder gekund. Er was méér licht dan gedacht. Er liep een weg tot aan de klif. Er stond een bronzen standbeeld voor allerlaatste Pinguinus impennis op de parking. En er waren infoborden. Maar dat was zonder de afgetekende schoonheid gerekend. Want, jongens toch, het is mooi in IJsland, zo mooi dat je er je eigen eenzaamheid een handje kunt geven. Op zulke momenten ben je beter met zijn tweeën, zeker als je een sentimenteel mensenkind bent dat al zeven jaar moet janken bij de videoclip van Glósóli.

Ellenlange sjaals
Midwinter, nog geen vier uur. Het schemert als het vliegtuig landt. De dagen zijn kort in IJsland. De meisjes van het verhuurkantoor geven tekst en uitleg in het Engels. Loodvrije benzine. IJs op de weg. Onverharde binnenwegen. Winterbanden met spijkers. En a.u.b. de portieren niet zorgeloos opengooien. Het kan hard waaien op IJsland. We zouden de eerste toerist niet zijn met binnenstebuiten geplooide deuren. Op het stuur van de huurauto hangt een plattegrond van het eiland, bijna helemaal gestreept. Het is het gebied waar we niet mogen komen met onze auto.
IJsland is meer dan drie keer groter dan België met nauwelijks 320.000 mensen. Kortom, op sommige plaatsen woont niemand en op sommige plaatsen komt ook niemand. Het is géén toeval. Het is gevaarlijk. Kortom, we zullen ons gelijk muizen aan de rand van de kaas houden. Het wekt overigens verbazing hoe zo weinig mensen toch zo veel wegen kunnen hebben. File is bezwaarlijk het woord, maar zondagochtendleeg is het evenmin. IJslanders laten zien hoe mobiel ze zijn. Diesel en benzine kosten er overigens minder dan thuis.
Tussen de luchthaven van Kevlavik en Reykjavik ligt dik 45 kilometer autostrade, breed en geasfalteerd. Er is plaats genoeg, maar de maximum snelheid in IJsland bedraagt 90 kilometer per uur. Het biedt ruimte aan de verwondering, bijvoorbeeld over een huis midden in het niks, tussen de ringweg en de zee. Er branden rode lichtjes aan de dakgoot, maar het is geen bordeel. Met de genadeloze donkerte en een wind die in je wangen bijt wordt de kleur van een lamp al ras onzin. Desalniettemin is het zaak om Reykjavik niet te betreden als een gemoltoneerde avonturier. Reykjavik is weliswaar de hoofdstad van een land dat IJsland heet, maar niemand loopt hier rond op Moonboots. Sterker nog, hippe IJslanders zweren bij sneakers, katoenen sneakers. En hoewel de IJslandse trui duidelijk terug in de mode is, ook onder IJslanders zelf, haal je de toeristen er zo uit. Ze zijn te dik aangekleed. Niet elegant. Laat het een tip wezen. Alleen kleuterachtigen dragen een skipak in Reykjavik. En uitheemse koukleumen hebben op restaurant een extra stoel nodig voor jassen, mutsen en ellenlange sjaals.

Walvisvaardersportie cake
Om elf uur ’s morgens is het nog donker in Reykjavik. Het noopt tot een traag ontbijt, met melk en ei op de boterham, gelijk échte IJslanders. Bij terugkomst staat het raam van de kamer open. Net als de verwarming. Thuis is het doodzonde! Spilzucht ook. Het getuigt van geen respect voor de natuur. Maar in IJsland geeft niemand een donder om de verwarming. Ze stoken gelijk de gekken, met ramen en deuren open. Komt omdat de warmte in de grond zit, geothermisch en gratis. Mazout of aardgas komen er nauwelijks aan te pas. IJsland is een vulkanisch eiland. Op sommige plaatsen komt er zelfs rook uit de putdeksels op straat. Een bewijs van warm water is dat.
Het kantoor van Hafnar Hermannsson ligt bij de oude haven. Hij werkt voor Truenorth, een bedrijf dat filmproducties regelt in IJsland. Hollywood is er kind aan huis. Tomb Raider, Die Another Day en Batman Begins zijn voorbeeldjes. Je hoeft hier niet lang naar schitterende filmlocaties te zoeken. Maar Rafnar Hermannsson is niet onder de indruk. Hij is vriendelijk, maar hij zegt geen woord te veel. Misschien is het typisch IJslands. Misschien is het typisch Rafnar. Hij is in ieder geval niet bang van stilte in een gesprek. Hij legt uit waar de klif van Glósóli ligt. Rijden tot aan Kevlavik, daar naar links, via de Hafnavegur en de Nesvegur tot aan de oudste vuurtoren van IJsland. Goed, maar wij gaan eerst walvisvaren. Tenslotte heeft de muziek van Sigur Rós bij wijlen wat weg van bultruggezang.
De boot vertrekt om 13 uur, maar door de beknoptheid van Rafnar Hermannsson is er nog tijd voor koffie. En cake. Ze verzetten hopen cake in Reykjavik. Kaka. Gulrotkaka (wortelcake), Slöngukaka (marmercake) of Súkkulaðikaka (chocoladecake). Wij gaan voor de laatste, één stuk voor twee. Het blijkt een walvisvaardersportie, wat een risico is, aangezien we de wilde zee op moeten voor die walvissen.
Het meisje in het walvishuisje raadt pilletjes aan tegen de misselijkheid. We slikken ze gedwee. Twee Aziatische poppetjes slaan het aanbod moedig af. Een halfuur later liggen ze te sterven op het dek. Geen enkele vis hebben die twee gezien. Wij wel, nu ja géén vissen, ook geen walvissen, maar wel dolfijnen, witsnuitdolfijnen, zwaarder en donkerder dan de flippers in Boudewijnpark. Het pilletje ten spijt lever ik toch strijd tegen braak en zeeziekte. Onder mijn muts zit een kotszakje. De golven van Faxaflói zijn genadeloos. En mijn overall ruikt naar muffe tent. Het is een beproeving, maar de dolfijnen zijn het waard en de cake wordt uiteindelijk langs de normale weg verteerd.

Picknickbank voor durvers
’s Avonds eten we trendy hamburgers in de Hamborgaranfabrikkan, een populair restaurant aan de rand van de stad. Schuin ertegenover staat Höfði, de witte villa waar Reagan en Gorbatsjov in 1986 een einde maakten aan de koude oorlog. Hun laatste avondmaal staat op de kaart: lamskroon met lookpatatjes, maar iedereen bestelt hamburgers. De Hamborgaranfabrikkan zit vol met IJslanders. Komt omdat de hamburgers in 2010 en 2011 werden uitgeroepen tot de beste van het land. Bovendien zijn de uitbaters jongens uit de media. Simmi en Jói zaten zaten met een oude kinderdroom en maakten die waar op tv. De dvd ’Simmi, Jói en de hamburgerfabriek’ zat in het aanbod aan boord van het vliegtuig naar Reykjavik.
Het is een lang verhaal voor lekkere hamburgers, zeker als toch iedereen in de eerste plaats wil weten of ze duur waren. Niet echt. Tenzij 12 euro veel is. IJsland is lang zo duur niet meer als voor het failliet van 2009. We laten het niet aan ons hart komen. Het is gezellig in de Fabrikkan en als er iets tot aanbeveling strekt dan is het de skyrterta, een taart met IJslandse platte kaas. Het is een heerlijkheid, naar het recept van ene Erla Ívarsdóttir, een bekende IJslandse chef met een hotel, ergens in het zuiden van het land, voorbij de Eyafjallajökull.
De klif van Glósóli ligt meer naar het westen. Onderweg zijn er lavavelden, donker, grillig en eindeloos. Eén morzel fantasie volstaat om hier in trollen te geloven. IJslandse trollen zijn trouwens geen koddige aardmannetjes, maar reuzen op reis door de nacht. In het licht van de ochtendzon zijn ze veranderd in steen. We rijden op een grindweg. Achter ons wappert een witte sleep van rijp. De zon staat lichtroze boven de horizon. Hier zou een sprookje kunnen beginnen, een harteloos sprookje weliswaar, want dit landschap geeft niets om sentiment. In vroeger tijden bulderden hier vulkanen, de Reykjaneshryggur bijvoorbeeld, een onderzeese jongen met een monstermuil van een krater. Eigenlijk is het hele schiereiland één groot vulkanisch systeem. Je ziet de rook. Je ruikt de scheten. Je hoort de modder pruttelen. En op sommige plaatsen voel je de hete adem van het beest in de grond. Een mens kan hier maar beter zijn plaats kennen.
Een pijl wijst naar links. De weg leidt naar de naad tussen Europa en Amerika. De drift tussen de aardplaten is groot. De kloof wordt ieder jaar 2,5 centimeter groter. De brug is op de groei gebouwd. Ernaast staat een picknickbank voor durvers. We rijden verder naar de klif van Glósóli. Als we de Valahnúkur voor het eerst in de gaten krijgen, kunnen we alleen maar zwijgen. De video van Sigur Rós is dikke promo voor IJsland, product placement bijna, zij het zonder de gemarketeerde leugens van gewoonlijk. Hier werd schoonheid achteloos neergegooid. Het doet me denken aan de gedichten van Roland Jooris, iets van niets en twee overbodige toeschouwers.

Spannende badmuts
vuurtoren zoveelGlósóli begint heel voorzichtig, met een paar twinkelende belletjes, typisch Sigur Rós. Nú vaknar þú, allt virðist vera breytt. Ég gægist út en ég sé ekki neitt, zingt Jonsi. Waar is de zon? Waar is het zonnetje dan? De vuurtoren naast de klif pinkt een heel klein oogje. Daar is de zon! Ik weet hoe het filmpje gaat. De jongen met de trom slaat harder en harder. Ze lopen. De kinderen uit de video rennen met volle macht de berg op. De gitaren vallen scheurend in. Je kijkt naar de lucht. Je ziet de zee. En je springt. Woeha! Als je hier de vrijheid niet hoort kloppen, dan nergens. Ik lig op mijn buik aan de rand van de klif, voor de veiligheid. Ook al is het waarschijnlijk helemaal niet veilig. Het is hoe vrijheid hoort te zijn: onveilig. Er groeit gras over de rand van de klif. Wie weet brokkelt er af en toe een stuk in zee. 50 meter lager slaan de golven kwaad tegen de rotsen. Dit is de klif van Glósóli en dit ben ik, een speldenknop met niets dan loze gedachten. Mijn man roept dat hij een plasje moet doen. Pas op voor de trollen als je je gerief uithaalt, schreeuw ik terug. Ik ben altijd maar heel even geschikt voor machtige scènes.
We nemen de auto en rijden verder naar Grindavik, een visserdorpje met ambitie. Grindavik wil namelijk duidelijk stellen dat Grindavik meer is dan alleen maar Blue Lagoon. Blue Lagoon is wat men noemt een toeristische topper, maar dan écht eentje. Niet zoiets als een bronzen mannetje met een piemel. Bláa Lónið is een IJslands kuuroord midden in de lavavelden, in de schaduw van een geothermische elektriciteitscentrale. De centrale pompt kokend water op uit de ondergrond, maakt er elektriciteit van en laat de rest over de lavavelden lopen. Het resultaat lijkt op een nucleair bolwerk van de Russen in een James Bond-film. Het warme water is zo goed als fluoblauw. Er kringelt damp tussen de rotsen en in de verte zie je dus die centrale. Ik heb een gloeiende hekel aan toeristische toppers, maar dit moet een mens gezien hebben. Vergeet alle thermen van ooit tevoren. Blue Lagoon is zwemmen buiten categorie. Eén tip: een grote fles conditioner of een spannende badmuts. Want mijn kapsel knisperde tien dagen later nog. Silica, dames en heren, het zit in het water van Bláa Lónið en het verlost u voor eeuwig en altijd van uw vet haar. Daarna is er alleen nog droge dofheid.
Maar Grindavik is dus méér dan dat. Wij aten er bijvoorbeeld kreeftensoep in Kaffihús Bryggjan, een cafeetje in de haven, naast een berg blauwe visnetten. In de hoek staat een piano. Erboven hangt het zwartwit portret van een papegaaiduiker, het treurige clowntje van de zee. Hij overwintert in open wateren, maar in de lente komt hij terug naar IJsland, samen met de zon uit het liedje op de klif van Glósóli.

(eerder verschenen in De Standaard Magazine, met dank overigens aan North & Away)

 

4 commentaria voor De klif van de clip

  1. Paula zegt:

    wow knap , mooie foto’s ook !

  2. Sabine zegt:

    Oh hoe mooi! Nu was ik was er ook even, maar met behoud van vettig haar.

  3. tante zelf zegt:

    gij zijt zeker, heel slim, niet kopke onder gegaan!

  4. ik zegt:

    Ik waande mij in IJsland. Mooi geschreven èn mooie foto’s.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>