De vijand

‘Doe niks’, zei ze. ‘Ge moet niks doen. Het gaat allemaal vanzelf. Ge moet gewoon bij de rivier zitten en wachten tot uw vijanden voorbijdrijven.’ Het was een Aziatisch spreekwoord. Of een Moors gezegde. Ik weet het al niet meer, wat ze zei. Maar ik besloot de wijsheid te onthouden, de kalmte na te streven en mij te oefenen in de Stoa. Geen hartstochten meer voor mij. Geen schuim op mijn lippen. Geen oog dat rolt, brandt en naar buiten plopt. Geen verontwaardiging. Geen geroep. Geen losgeslagen zenuwen.

Het spreekwoord hielp. Maar alleen als hij zich koest hield, ziek was, thuis bleef, geen mails stuurde en niet belde. Want zodra hij belde, ging het mis. Zodra zijn naam op het scherm van de telefoon verscheen sloeg de klep tussen maag en slokdarm tilt, werd mijn huig hard, kreeg ik alvast een slagtand. Een hele cavalerie van scheldwoorden trok van mijn linker- naar mijn rechterslaap. Hij moest nondedju zijn lip houden.

Kortom, het spreekwoord werkte niet. De vijand dreef niet voorbij. Hij bleef maar bellen. In heel Azië hebben ze waarschijnlijk nog nooit iemand zo wild bij de rivier zien zitten.

De scènes aan de ontbijttafel zagen er ongeveer hetzelfde uit. Want iedere ochtend verkondigde ik aan de spondeligger met grote gebaren dat ik mij later op de dag niet zou laten vangen. Door de snul. De prutser! De doorgeschoten manager van het Meetjesland! Of waar hadden ze hem eigenlijk vandaan. En hoe had hij het in zijn hoofd gehaald om mij lastig te vallen met onnozele vragen en loze commando’s. Eerst was het nog een uitdaging ter sereniteit. Daarna werd het een gevecht voor de beschaafde omgang. En ten slotte konden alleen nog de kantoormeubelen worden gered. Het ging allemaal vanzelf. Hij moest alleen maar spreken. Het spreekwoord van de vijand en de rivier schoot te kort.

Uiteindelijk ben ik ’s middags naar de bibliotheek gevlucht voor een pauze en een oplossing. Ik vond wat ik zocht in gang 366.4, een boekenrek vlakbij strafrecht en krijgswetenschap. Het schiep verwachtingen. Ik voelde mij onmiddellijk begrepen door titels zoals ‘Het is mooi geweest. Een kantoor is geen pretpark’ en ‘Wat zou Boeddha doen op het werk?’ Want als zelfs Boeddha zich niet kalm kon houden op het werk, dan hoefde ik me ook niet te schamen. Wat heeft een mens meer nodig dan flapteksten à la ‘Ze werken op de zenuwen, hinderen in uw werk, zorgen dat u ’s nacht ligt te woelen. Wie zijn ze? Lastige mensen!’ Binnenin ging het verder met: ‘Houd betweters op afstand door te weigeren de rol van leerling te spelen. Als u dat niet doet, moedigt u een neerbuigende houding alleen maar aan.’

Ik toog met ‘Lastige mensen coachen’ naar een zeteltje in de leeszaal en vervolgde: ‘Kanaliseer het cynisme van oldtimers door naar hun anekdotes te luisteren. Ze kunnen u soms waardevolle informatie verstrekken.’ Daarbij waren oldtimers een categorie van lastige mensen. Het boekje maakte nog melding van treuzelaars, betweters, twijfelaars en geboren smeerlappen, telkens voorzien van andere tips. Op het einde was een hoofdstuk zelfanalyse opgenomen. In geval de lezer eventueel zelf een irritante persoon zou zijn. Daarop klapte ik het boekwerk dicht, dacht opnieuw aan het spreekwoord van de vijand en de rivier en keek op uit het zeteltje.

Drie keer raden wie daar voorbijdreef, van afdeling 335.7 naar de uitleenbalie? De snul! De prutser! De doorgeschoten manager van het Meetjesland! Met onder zijn arm de titel ‘Als alles tegenzit en God geeft niet thuis. Waarom ik toch nog geloof.’ Ik deed niks. Ik zei niks. Ik zat gewoon en wachtte. Het kon nu niet lang meer duren.