Anoniem, onnozel én met de fiets

Mijn grootmoeder vond van zichzelf dat ze te veel klasse had om vol met de vleesnaad plaats te nemen op een fietszadel. 100 jaar heeft zij geleefd en in al die tijd heeft zij geen enkele keer op een fiets gezeten. Zij overdreef natuurlijk. Maar toch. Enige bezwaren zijn altijd nuttig. Weinig dingen zijn nu eenmaal helemaal goed of helemaal slecht. Dames van de fietsclub kunnen zich de verontwaardiging alvast besparen en ophouden met lezen.
Ik hou niet van vrouwen die fietsen. Dat is wat anders dan vrouwen die bij wijlen op een fiets zitten. Ik hou niet van vrouwen die fietsen uit overtuiging. Vrouwen met fietszakken van Kitsch Kitchen en valse bloemen aan het stuur, die bedoel ik. Vrouwen met een zaalmuts van klam geworden schapenvel. Vrouwen met een koersbroek. Vrouwen met de kont naar achteren op een mountainbike. Vrouwen die zweren bij een naaf van Shimano. En vrouwen die mij onderweg voorbijsteken. Ze zijn mij niet genegen. Ik kan namelijk niet sneller. Ik sukkel al meer dan twintig jaar rond op dezelfde fiets, de fiets die ik voor mijn plechtige communie heb gekregen. De stickers van Benetton en Oilily hangen er nog op. Die van ‘t Is mijn vriend, blijf eraf, Ik rem voor dieren en Ik hou van Vlaanderen heb ik eraf gepeld met nagellakremover. Ik heb het zo al moeilijk genoeg op de fiets, ook zonder stellingnames. Vorige winter ben ik nog tegen het beton gegaan.

Het had gesneeuwd en er was twijfel, bij mezelf en bij twee gepensioneerden in een Mercedes, op hetzelfde kruispunt. Drie minuten later zat ik snikkend en bloedend bij hen op de achterbank. Daarna naaide de huisdokter mijn kin terug dicht met drie zeeroverssteken. Twee dagen heb ik opgezwollen voor de televisie gelegen met alleen de troost van ontstekingsgel. Dat niemand mij nog probeert te overtuigen van de gratuite geneugten van de vrouw op de fiets. Het is gevaarlijk en het is vermoeiend. Bovendien laat mijn echtgenoot me mijn banden altijd zelf oppompen en laat ik mijn fietssleuteltje geregeld in een pashok liggen. Dan vloek ik, stamp met mijn schoen tegen de velg en leg de strooptocht nog een keer af, briesend en achterstevoren, op zoek naar de sleutel van een fiets die ik eigenlijk niet meer wil hebben En wee de winkeljuffrouw die mij dan een sleutelhanger durft aan te raden.

Met de fiets is het altijd wat. Ik doe ook altijd te veel boodschappen waardoor ik maar met één hand kan sturen omdat onder mijn andere arm een promopak wc-papier zit, of een zak muesli. Terwijl er aan de bel al een netje ajuinen hangt. Het is triest. Plus bij wind en ontij kom ik overal aan zonder kapsel, hijgend en uitgeregend, mijzelf niet meer. Nu ja, alles is beter dan de regencape waar ik vroeger mee naar school moest, een donkerblauw gedrocht dat wind ving als een springkasteel. Bovenaan wiebelde een kwaad prinsessenkopje. Dat was ik, op de fiets.

Een vrouw op de fiets is niet elegant. Een verstandige vrouw fietst daarom alleen omdat het moet. Omdat het sneller gaat. Omdat je in de stad nergens meer kunt parkeren. En omdat het goed is tegen cellulitis. Je hoeft er alleen maar een beetje te laat voor te vertrekken. Want wie rustig trapt blijft met al het vet zitten. Tempo, tempo. Haast en spoed zijn soms wel goed. Je komt geheid op tijd en vermagert onderweg.
Over de N2 richting Leuven viel laatst een zonderling lichtschijnsel waar te nemen. Waar het witte licht ophield en het rode licht begon, daartussen zat ik, in opperste versnelling. Het ging zo hard dat ik te vroeg was op de afspraak. Ik bestelde een pintje, koos een tafel en ging met zwier zitten. Twee mannen keken mij aan en lachten lief. Amai, mijn marktwaarde, dacht ik. Of kende ik die twee van ergens? Of kenden die twee mij van ergens? Tenslotte sta ik af en toe met een foto in de krant. Op de duur geniet een mens toch enige bekendheid. Maar de heren bleven lachen. Tot de lol eraf was. Vooral toen bleek dat mijn fietsenlampjes nog knipperden, vooraan op mijn jas in het wit, achteraan in het rood. Tussenin zat ik zelf, anoniem, onnozel én met de fiets. Mijn grootmoeder had gelijk. Fietsen is basse classe, bah.

(eerder verschenen in De Standaard Magazine)

2 gedachten over “Anoniem, onnozel én met de fiets”

  1. Ik heb zo’n regencape ook altijd gehaat tot ik er de voorbije vakantie in Costa Rica plots alle voordelen mocht van ontdekken (zie mijn blog Costa Rica 5). Ginder heet zo’n spul dan ook niet regencape, maar poncho. Misschien zit het hem in de naam.

  2. De regel is heel eenvoudig: fietsen moet je alleen doen als het droog is en niet waait, anders is het een ramp. Ik heb zeker tien jaar van mijn leven afgefoeterd op de terugweg van de middelbare school naar huis, tegen het vals plat op en vrijwel altijd met de zuidwestenwind in mijn gezicht.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *