De Meekomchinees

Toen ik een jaar of acht was leerde ik een Chineesje kennen. Het was de eerste Chinees in mijn leven. We zaten samen in de klas. Het Chineesje was bij de misdienaars, kon héél hard met de bal gooien en had een plakboek met prentjes van Michael Jackson. Bovendien had het Chineesje twee zussen. Die waren ook Chinees. Tot de eerste spreekbeurt kwam. Toen bleek ineens niemand nog Chinees. Iedereen was geadopteerd. Ze kwamen met zijn drieën uit Korea, niet zo heel ver van China. Wisten wij veel. Het maakte ook niet uit. Als je op de speelplaats trefbal speelde moest je maken dat je bij het Chineesje in het kamp zat. Dat was het belangrijkste.

De Chinees was een belevenis. Ook om bij te gaan eten. Al diende bij de Chinees geen Chinees op. De ober leek alleen maar op een Chinees aan de achterkant. Hij had zwart haar gelijk soms zit vastgenaaid aan Chinese carnavalshoedjes. De échte Chinezen stonden in de keuken nasi op te poken en kroepoek te frituren. Kroepoek was een hit aan tafel. Mijn zuster en ik plus onze aanhangige tongen konden er vieze kunstjes mee, want kroepoek plakt. Lellebel. Lellebel.

Voorts waren de zeepaardjes een hoogtepunt. Ze waren uit een dikke wortel gesneden en ze hadden oogjes van kopspeld. En als de babi panggang op tafel kwam, reageerde ik altijd op dezelfde manier: Mama! Is dit nu hondenvlees? Daarop zuchtte mijn moeder diep. Het is niet makkelijk om met een grappig kind te zitten.

Als de rekening kwam zette de ober een blik met gummisnoepjes op tafel. Zoiets hadden wij nog nooit gezien. Het was zeker een Chinese gewoonte, net als de wuivende poezen en de dolgedraaide kalender op het toilet. Later gingen wij nooit meer naar de Chinees. Of toch niet naar de gewone Chinees. Wij zwoeren voortaan bij de Afhaalchinees. Op die manier konden wij immers schaamteloos met zijn vieren eten van een rijsttafel voor twee personen. Wij waren de Afhaalchinees te slim af. Hahaha.

Intussen is de blijdschap enigszins zoek. Er is namelijk een nieuw soort Chinees opgestaan: de Meekomchinees. Niemand kent hem. Hij is afgehaald, meegenomen noch uitgenodigd, maar ongemerkt is de Meekomchinees er altijd bij. Ik zag hem voor het eerst toen ik eergisteren in mijn nachtkleed voor de spiegel stond. De aanblik op mezelf bood twee mogelijkheden. Of ik zat met een kort pootje. Of de Meekomchinees had zich verslikt achter zijn naaimachine. En tous cas, de pon hing scheef om mijn scheutige schouders. Ik kon uithalen wat ik wilde, de zoom van de niemendal bleef schuins op de horizon staan.

Met dank aan de Meekomchinees is het zicht op de wereld voor altijd verdraaid. Het zijn de vervelende vragen die het hem doen. Hoeveel tijd krijgt de Meekomchinees om één nachtpon te stikken. Hoeveel nachtpons moet de Meekomchinees in één werkdag stikken. Hoelang duurt de werkdag van een Meekomchinees. Hoeveel krijgt Meekomchinees daarvoor. En hoeveel Meekomchinezen zijn er nodig om in stijl te kunnen slapen. Niemand wil het weten. Laat staan dat iemand de Meekomchinees wil leren kennen. Behalve heel misschien in geval van scheve pon. En dan eigenlijk ook niet.

(eerder verschenen in Vacature Magazine en verder nog dank aan Jan Van Lierde, die mij het woord Meekomchinees heeft verkocht, voor twee pralines)

2 gedachten over “De Meekomchinees”

  1. Mijn idee is: doe dat scheve niemendalletje uit en kijk naar jezelf ! Als je eerlijk bent zou dat een opluchting moeten zijn.
    Beste groetjes van Meneer

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *