De stoel van meneer Cri Cri

Tussen de vliegers en de petanqueballen stond een plastieken stoel. Het was de stoel van meneer Cri Cri, uitbater van een bazaar aan de Belgische kust. De stoel was leeg. Er lag alleen een bleek, plat kussentje in. Meneer Cri Cri stond buiten, bij de mand met jokari’s. Kent iemand nog de jokari? Een houtblok met een lange elastiek en een tennisbal. Uit de tijd dat kinderen zich nog in hun eentje konden amuseren, of zich anders gewoon leerden vervelen. Die jokari dus. Leuk tot de elastiek versleet, vol knopen kwam te zitten en de tennisbal nooit meer terugkwam. Meneer Cri Cri verkocht jokari’s én losse elastieken. Nog altijd. En achter het glas van zijn toonbank liggen bommetjes. Knallers van niks en knallers van iets meer. Made in China, erg geschikt voor het verroeste sleutelgat van een verweerde strandcabine. Hihihi.

Niet dat het meneer Cri Cri kon schelen wat je met zijn buskruit aanving. Zolang je je fatsoen maar hield in de winkel. Meneer Cri Cri had een spiedend oog. Hij keek kwaad, zei niets en zag alles. Ook wat er niet was. Het kon meneer Cri Cri niet schelen dat er ook eerlijke kinderen bestaan. Voor de zekerheid leek het hem beter om niemand te vertrouwen. Hij volgde je in de gang met opblaasboten en luchtbedden. En anders was er nog mevrouw Cri Cri. Bij Cri Cri werd niets naar buiten gesleept zonder te betalen. De blik van meneer en mevrouw Cri Cri stond altijd op: Denk maar niet dat ik u niet heb gezien, binnenlanderskind.

Je moest voorzichtig zijn in het kleine paradijs van Cri Cri. Want ondanks zijn boze bewaarders was de winkel een plezierhof, van garnaalnetjes en vliegdraad twee kilometer op een klos. En de koele tegels op de vloer deden deugd aan bonzende zandtenen.

Mevrouw Cri Cri heb ik niet meer gezien. Er stond maar één stoel in de winkel, die van meneer Cri Cri. Ik weet eigenlijk niet hoe lang het geleden was dat ik hem had gezien. 25 jaar misschien? Of minder. In ieder geval, heel veel petanqueballen later. Het sponsen broekje van Petit Bateau zou scheuren op de naad, mocht ik dat nog eens willen aantrekken. En meneer Cri Cri was een oude man geworden, mager en met dunner haar. Hij droeg beige schoenen die bij zijn vel pasten.

Mensen die aan de kust werken, zitten altijd met een schamele teint. Ze hebben geen tijd voor zon of zee. Ze lopen de hele dag heen en weer met garnaalkroketten en Leffe, in de schaduw van hun eigen parasollen. Ik geloof niet dat meneer Cri Cri in zijn leven ooit rode wangen heeft gehad. Ik geloof zelfs niet dat hij een zwembroek heeft. Meneer Cri Cri heeft een speelgoedwinkel en in die speelgoedwinkel staat voortaan een plastieken stoel.

Meneer Cri Cri staat op uit de plastieken stoel. Hij spiedt nog steeds, maar je ziet in zijn ogen dat hij twijfelt. Misschien aan het nut van zoveel petanqueballen. Je zult het maar aan de hand hebben, een loopbaan van een jaar of vijftig in een speelgoedwinkel aan de zee. Het is niet meer van deze tijd. Tegenwoordig twijfelt een mens al aan zijn carrière als hij één jaar geen opslag heeft gekregen. Als de uitdagingen drie maanden uitblijven is het tijd om weg te wezen. Een dag zonder mails is de dag dat je moet oppassen om nog mee te tellen. De burnout loert. De ratrace laat geen keus. En dan voel ik mijn knieën knakken, neem ik plaats op het platte, bleke kussentje in de plastieken stoel van meneer Cri Cri. Tussen de petanqueballen en de vliegers. Heel even maar.

(eerder verschenen in Vacature Magazine)

3 gedachten over “De stoel van meneer Cri Cri”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *