Een gouden krentenbol

Om haar hals hing een kettinkje met een gouden krentenbol, gebakken met deeg van 18 karaat en steenharde rozijntjes. Het juweel lag in het putje tussen haar twee sleutelbeenderen, het mooiste putje van een mensenlijf. Ik kon niet stoppen met ernaar te kijken. Gedachten kreeg ik ervan. Tot zij vroeg wat het moest zijn, een groot zevengranen of een klein. Het moest een groot zijn. Ze draaide zich om en joeg een zevengranen door de snijmachine. Daarna wilde ik alles weten. Vraag 1, of zij alles nog zelf bakten.

De vrouw keek mij met grote ogen aan. De vraag! Wat voor een vraag! Het was helemaal geen vraag! Het was een belediging. Ja, zei ze verontwaardigd. Wij bakken hier nog alles zelf. Ook al is het niet meer van deze tijd. Spreek ons niet van afbakbrood. Elastiek is het, vermomd beton, isolatieschuim dat opzwelt Het maakte niet uit. Volgens haar, was afbakbrood multi-inzetbaar. Desnoods kon je er een dak mee dichten. Zolang je het maar niet ging eten. Ach ja, de mensen moesten zelf maar weten wat ze wilden verteren, vond ze.

Ze voelde even aan haar gouden krentenbol en ging verder. Dat het geen gewone stiel was en dat het niet ging blijven duren. Over tien jaar zouden er geen gewone bakkers meer zijn. Bakkers waren bezig om op te houden met bestaan, zei ze. Het bracht mij bij vraag 2, hoe oud haar man was.

Haar man bleek er niet toe te doen. Het was haar zoon die bakker was. Niemand wist waarom. Want zij, noch haar man hadden ooit iets met een bakkerij gehad. In heel de familie was niemand bakker. Maar hij wilde perse bakker worden. Toen hij klein was verzon hij taartjes op zijn fornuis van Fisher Price en toen hij ouder werd, werd het niet beter. Hij moest en hij zou bakker worden. Ze snapte er niet veel van. Ze wreef nog eens over de krentenbol, keek even naar de deur en vervolgde. Hij heeft zich net gewassen. Hij heeft de hele nacht gewerkt. Rond een uur of vijf gaat hij slapen. Zo gaat het alle dagen. Het was niet mijn idee.

Pas op, ik sta graag in de winkel. Toen hij het vroeg heb ik geen moment getwijfeld. Ik zie hem graag en ik weet wat het is om commerce te doen. Mijn ouders hadden ook commerce. Ze verkochten wel geen brood, maar toch.

Vraag 3, wat haar ouders dan precies deden. Ze hadden een groothandel in bouwmaterialen. Het probleem was alleen dat zij nu al vijftien jaar in de winkel stond. Tegen de verwachtingen in. Voortaan was er alleen nog hoop. Ik dacht, zei ze, ik doe die winkel een paar jaar. Daarna zal hij wel met iemand thuiskomen, die mijn plaats kan innemen in de winkel. Maar ho nee, hij bracht helemaal niemand mee naar huis. En hij intussen is hij al 42. Nochtans zit hij geregeld op de computer. Het schijnt dat je daar tegenwoordig ook mensen kunt leren kennen. We zullen wel zien zeker. Voorlopig sta ik in de winkel. Wie zou het anders doen.

Of ik buiten dat groot zevengranen nog wat wilde hebben, vroeg ze. Want mijn gedachten hingen weer stil rond de gouden krentenbol in het putje tussen haar twee sleutelbeenderen. Komt ervan als je Vacature leest. Ineens sta je raar te doen bij de bakker, omdat je weet dat 42,5 procent van de bakkers single zijn. Je hebt het gelezen in de grote salarisenquête. Niemand wil een kettinkje met een gouden krentenbol om zijn hals.

(eerder verschenen in Vacature Magazine)

Een gedachte over “Een gouden krentenbol”

  1. Ik hoorde laatst nog de mevrouw achter de toonbank van mijn bakker zeggen dat ze al tien jaar geen vakantie gehad had. Gewoon zo weinig omzet per dag dat je nooit weg kunt.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *