Een zwart slangetje

Wil alstublieft gewoon doorlopen en u nergens mee bemoeien. Ik zit inderdaad te hurken tussen twee auto’s op de parking. Maar het zijn uw zaken niet. Ik wil het allemaal niet weten, op voorhand al niet. En al helemaal niet als u over een firmawagen beschikt die breder is dan 175 centimeter. Want uw carrosseriële breedspraak is slecht voor de sfeer op de parking. Uw auto is niet alleen te groot om standaard tussen twee witte strepen te passen. U bent ook te lam en te slordig om het te proberen. Het resultaat is dat u met uw inbegrepen winterbanden te veel naar links of naar rechts staat. Precies of ik kan parkeren in een hoek van 90 graden. In de plaats werd het een slappe draai, met slecht gevolg.

Kijk zo niet. Houd uw mond en laat mij gerust. Het is allemaal uw schuld. En die van mijn bekrompen zelfvertrouwen. Anders had ik mijn bocht wel groter genomen. In de plaats daarvan ligt mijn flank nu in een deuk, hangt mijn Black Saphire Metallic voor 570 euro geschurkt aan een betonnen steunpilaar. Het viel te verwachten in een parkeergarage anno 1998. De plaatsen zijn te smal. De bakken zijn te groot. En collega’s kijken niet verder dan hun eigen koetswerk. Sinds 2004 al niet meer. Iedereen maakt zoveel promotie dat het allemaal niet meer in de parkeergarage kan. Mijn hele linkerkant is nondedju gepeld van voor tot achter. Omdat ik bang was om tegen een leasekar aan te zitten.

Vijf minuten geleden was er nog niets aan de hand. Vijf minuten was er alleen maar haast. En nu zit ik tussen twee auto’s te huilen. Voor de franchise. Voor de bonus malus. Voor de onrechtvaardigheid. En uit onmacht. Laat me nu maar even. Het gaat wel weer over. Dat is het voordeel in dit leven. Alles gaat voorbij. Geluk of ellende maakt geen verschil. Soms vraagt een mens zich af waarvoor het gedram moet dienen. Het gaat, zeg ik u. Het gaat! Loop allemaal door alstublieft. Ik heb zélf zakdoekjes en ik zal zélf wel naar de makelaar bellen. Niet naar de leasemaatschappij, want ik heb mijn auto met mijn eigen geld gekocht. Dat zoiets nog bestaat! Wie ruzie wil kan ruzie krijgen. Mijn tranen zijn heet en mijn knokkels zijn wit.

Er passeert een bemoeizuchtige collega die mij wil troosten en redden, alsof ik een naakte maagd ben in het struikgewas. Hij glijdt met zijn hand over mijn gehavende flank. Ik word er alleen maar kwader van. Mijn oogbollen ploppen bijna op de betonnen garagevloer, zo kwaad word ik ervan. Gelukkig voor de afleiding krijg ik ineens een zwart slangetje in het oog. Het kruipt over de winterband van de Audi A6 die ik met succes heb ontweken. Het slangetje heeft een hoedje op. Ik snuit mijn neus, veeg mijn boze tranen af en zeg Hello Sissy tegen het beest. Zou jij je hoedje niet eens afnemen voor mij. En nog voor de slang kan antwoorden draai ik het dopje van het ventiel. Eén blinkend oogje kijkt mij vol verbazing aan. Ik pak mijn zakdoek om het traantje te deppen. Pssst, zegt het slangetje. Zo, dat lucht op.

(eerder verschenen in Vacature Magazine met een tekening van Klaas Verplancke)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *