Facebook en de snuggere mensen

Snuggere mensen zitten niet op Facebook. Snuggerte is namelijk een vorm van efficiëntie. Terwijl Facebook een zaak is van prutsers, volk met tijd te veel. Zo argumenteren de afwezigen op Facebook. Wie niet op Facebook zit, werkt. En als het werk eindelijk gedaan is, zijn er vrienden en familie. In het écht!  Snuggere mensen hebben heus wel wat beters te doen dan  op Facebook te zitten. Zij laten zich niet foppen door een ingebeelde vriendenkring. 473 vrienden, daar zijn snuggere mensen bang van. Voor je het weet geef je een fortuin uit aan kerstkaarten, moet je écht aan alle postzegels likken. Snuggere mensen sterven nog liever eenzaam in de badkamer dan dat ze zich inschrijven op een sociale netwerksite.

Trouwens, wat is Facebook nu meer dan een conglomeraat van elektronisch geneuzel. Op dat hele Facebook is er niemand die iets van betekenis zegt. Mensen bakken cake op Facebook. Ze doen verslag van de dagschotel in de kantine. Ze haasten zich naar de crèche. En zwieren hun kinderen op Facebook, compleet met piemel en placenta. Alsof de arme drommels daar ooit om hebben gevraagd. Ze komen pas piepen en ze zijn hun privacy al kwijt. Daar doen snuggere mensen niet aan mee. Bovendien kunnen die van de fiscus ook lezen. Idem voor het leger, de schoonfamilie en -oh horror- de collega’s. Het is gewoon niet te geloven hoe stom mensen op Facebook zijn. Aan snuggere mensen is het daarom niet besteed.

Wat wil nu het euvel? Mensen die niet op Facebook zitten zijn vaak even stom. Ze denken dat ze veilig zijn omdat ze hun hebben en houden niet op Facebook zetten. Nochtans is het ouderwetse, openbare leven -u weet wel, het gedoe met straten en honden en bussen en nergens parkeerplaats- even genadeloos. Zo maakte ik afgelopen zaterdag een wandeling door de stad. Onderweg kwam ik drie keer een collega tegen. De eerste zat onder een nylon laken bij de kapper. Ik verslikte mij haast in mijn warme wafel. 30 euro voor een kapsel waarvan de hele werkvloer meende dat het eigen fabricaat betrof. Bovendien zat betreffende collega in de kapperstoel te lachen en te tateren zonder weerga.  Alzo werd duidelijk dat een mens niet op Facebook hoeft te zitten om te weten welke collega’s er een vrolijk dubbelleven op nahouden.

Idem voor de tweede collega die ik zaterdag tegenkwam. Zij wurmde zich een weg doorheen het stof van 30 lange winterjassen op zoek naar haar ongehoorzame dochter, die zich overigens verschanste in een pashokje. Het kind hing in de gordijnen. Het kind kroop door de etalage. Het kind dreef haar moeder voorbij de grenzen van de pedagogie. Tot mijn collega haar dochter aan de staartjes naar buiten sleurde. Niemand zat op Facebook, maar iedereen zag het gebeuren. Terwijl zij op het werk een plaatje van zelfbeheersing is.
De derde collega ten slotte trof mij aan in de Fnac, terwijl ik scheefgezakt op een sofa zat te lezen in De poen van uw pensioen van Paul D’Hoore. Alsof het nog niet gênant genoeg was, wilde hij graag iets zeggen. Daarop ben ik opgestaan met de woorden: Pardon, Robert, maar ik moet dringend naar huis. Ik zit met twee diepvriesworsten in mijn handtas. Aansluitend heb ik mij thuis teruggetrokken op Facebook waar elf snuggere vrienden tijd hadden om mijn leugens leuk te vinden.

(eerder verschenen in Vacature)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *