Fordlândia

Er was eens het Braziliaanse regenwoud, lang geleden in de jaren 20, niet zo heel ver van de evenaar. Een Ford T bobbelde door het bos en kwam onderwege vast te zitten in de modder. Twee ingenieurs stapten uit. Drie Brazilianen moesten helpen duwen, desnoods helemaal tot in Fordlândia. Henry Ford had Fordlândia gekocht, 2,5 miljoen vierkante meter regenwoud in een bocht van de Amazone. Het was een slechte koop, maar dat had toen nog niemand in de gaten. Tenzij Villares, de Braziliaanse leperd die de ellendige morzel grond had verkocht.

Henry Ford was er nooit geweest, maar dat hoefde niet. Ford stuurde zijn ingenieurs. Ze moesten er huizen bouwen en rubberbomen planten, want Ford wilde zélf autobanden maken, van rubber uit Fordlândia. Gedaan met wilde rubber. Gedaan met het rubberrijk van Harvey Firestone.
Een stoomboot zou alle gerief brengen: eten, trekkers, graafmachines en hout voor de huizen. Voorts ging er een hamburgerrestaurant open. Er moesten poëzieavonden worden georganiseerd, volksdansclubs worden opgericht. Drank was verboden, rookwaar en hoererij ook. Fordlândia was een fatsoenlijk land.
Daarbovenop was Fordlândia een paradijs met kost en inwoon. Henry Ford zorgde voor alle comfort, compleet met brandweer en kleermaker. Het rook er naar mango en écht geluk. Dat de Braziliaanse krachten noch van selfservice noch van hamburgers hielden was hoogstens eigenaardig. Bovendien schenen ze andere hobby’s te hebben dan volksdansen en voorlezen, maar vergeleken met de miserie die nog zou volgen, viel dat eigenlijk reuze mee.

De rubberbomen groeiden niet. Ze stonden te dicht bij elkaar en de grond was zompig. Damp, muggen, mieren, motten, nog andere beesten en een bladerziekte, dat was er met hopen in Fordlândia. En ook de Braziliaanse arbeiders vonden er niet veel aan, aan de vrijetijdsbesteding niet en aan de werkuren niet. Henry Ford had gezegd: iedereen werkt van 6 uur ‘s morgens tot 3 uur ‘s middags, juist gelijk in Amerika. Maar de zon in de jungle was veel te heet om ‘s middags in de bomen te hakken en rubber te tappen.

De miljoenen ten spijt, er was al lang geen redden meer aan. En op een mooie dag in Fordlândia -de kikkers kwaakten en de jungle ritselde- brak de oorlog uit in het selfservice-restaurant. De Braziliaanse arbeiders hadden de buik vol van Fordlândia en zaten de ingenieurs met grote kapmessen achterna. Wie rap was, vluchtte weg in één van de bootjes. Wie sloom was, hield zich  koest in het gebladerte van het regenwoud. Tot het Braziliaanse leger uitrukte om ook de laatste ingenieurs te redden.

In 1945 hield het ellendige verhaal van Fordlândia op. Ach, zei Henry Ford, wat maakt het uit. Voortaan hebben we synthetisch rubber. En hij verkocht zijn land voor een handvol kleingeld aan Brazilië terug. Het hele akelige avontuur valt  met heel veel treurige violen te beluisteren op de nieuwe plaat van Johann Johannsson. Ik sta er per Ford Fiesta mee aan te schuiven in de file naar Brussel en hou het vandaag voor de zekerheid iets minder ijverig.

(eerder verschenen in Vacature, met een tekening van Klaas, die er ook niet bepaald vrolijk van werd)

4 gedachten over “Fordlândia”

  1. Triestig verhaal … ik zal het erbij vertellen in de klas, als ik nog eens vertel over de “ca-hu-chu” of “wenende boom”.

  2. Onze Leopold kapte naarstig zwarte handjes af als die niet vlug en effeciënt kuipjes met rubber hielpen vollopen.
    Vertel dit ook maar aan uw klasje, als ge nog eens vertelt over de wenende boom.
    Of toch maar niet. Ze moeten nog gezond groot worden, onze kleintjes.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *