Het buitenechtelijk wifiworstje

Op mijn bureau lag een stapel gele gidsen. Daarin zocht ik iedereen uit alle zones op. Wie een nummer had, kreeg telefoon. Het was een tombola van altijd prijs, voor slagers, archivarissen, rozenkwekers, de exen van bekende zangeressen en onbeleefde kabinetchefs. Zat ik met een vraag dan belde ik. Soms kreeg ik antwoorden en soms ook niet. Ja, er zit varkensvlees in kipkap. Oh, maar Nonkel Bob had verschillende tantes. Nee, met cactussen valt meer geld te verdienen. Pfft, zij eet nu frieten in de Quick om mij te jennen. Wat is dat voor een vraag? Noemt gij dat journalistiek? Een rioolrat, dat zijt gij! Kortom, de telefoon was troef.

‘s Avonds was mijn oor warm en dik. Het bewees dat ik hard werkte, helemaal zonder internet. Geen mens die nog verstaat hoe het in godsnaam mogelijk was. Als nu de server plat ligt, begint iedereen te schreeuwen, lijdt de economie verlies en moeten er meteen hulpkonvooien worden georganiseerd. Zonder Google gaat er niets meer en gele gidsen zijn slecht voor het milieu.
Wie werk verzet los van internet is een kieken. Of een stielman. Of een verpleegster. Of zelfverklaard een dieptegraver. Internet is een juveniel medium, zegt hij. Wuft bovendien, en nefast voor mijn attention span. Maar de ordinaire nijveraar heeft internet nodig om zijn werk te kunnen doen. Vandaar de verontwaardiging als er geen internet is. Of als klachten daaromtrent niet ernstig worden genomen.

O wee de it’er die het waagt om te zeggen dat hij eens zal komen kijken, om vier uur. Terwijl er in noodgevallen maar één bijwoord is dat deugt: Nu! En dat ze op de geoutsourcete helpdesk alstublieft hun mond houden over de kabel. Want die heb je al twintig keer uitgetrokken. Net zoals je de computer al twintig keer hebt uitgezet. Een leek weet weliswaar niet hoe iets werkt, maar hij merkt wel wanneer iets niet werkt. Je kan niet op intranet. Je verwacht een belangrijke mail. En waarschijnlijk ben je een hele ochtend aan werk kwijt. Maar it’ers zijn allemaal relativo’s. Geen computerprobleem op aarde of het is een ingebeeld probleem. Sussen doen ze en troosten, alles behalve helpen.

Tot je jezelf ineens hoort zeggen: Mijnheer, als u mij nu nog één draad doet uittrekken dan kom ik ermee naar beneden. Fwiep! Een striem van stekker schuins over uw ribbenkast! Weet u wat het is, mijnheer? Het buitenechtelijke wifiworstje in het doosje onder mijn bureau. Het hangt er maar wat bij. Het dient tot niets. En iedere week krijgt het een lel van de mops van de poetsvrouw. Dat weet ik omdat ik het iedere week opnieuw moet goed steken. Het is kapot, mijnheer. Het is kapot, mijnheer! Het is wél kapot, mijnheer! Alsof ik het zou willen verzinnen. Breng wisselstukken mee, zeg ik u. Mijn internet werkt niet! En daarmee ikzelf ook niet! Bent u facilitair of bent u het niet? Slecht voor de economie bent u in ieder geval zeker. Enfin, ik zal me tot u eindelijk opduikt wel te drogen leggen tussen een gele gids. Het is tenslotte herfst voor iets. Klik. Soms is een telefoontje nog altijd troef.

(eerder verschenen in Vacature Magazine, met een tekening van Klaas Verplancke)

10 gedachten over “Het buitenechtelijk wifiworstje”

  1. Haha zo herkenbaar. Onze It-er zei vroeger altijd “steekt de stekker in?”, alvorens zich verder om het probleem te bekommeren.

  2. Zonder de it’ers zaten we hier wel niet, online en zo. Maar da’s niet inventief ofte creatief, zeker.

  3. Nu herinner ik mij daarentegen ook een collega die na drie keer vragen aan de klant of de printterstekker er niet gewoon uitlag toch naar het betreffende kantoor reed om te constateren dat de printerstekker eruit lag.

  4. Tegenwoordig is toch elke weblogger zijn/haar eigen it’er. Met of zonder wifiworstje.
    Wie wil er nu, in geval van problemen met zijn/haar blog, nog langer dan 27 milliseconden wachten op een it’er!

  5. goddank voor de it’er, hij is de nieuwe schepper. maar hoe leuk is het al eeuwen om kwaad te zijn op de schepper.

  6. Leuk weet ik niet, maar ik zou ook wel eens een hartig woordje met de schepper willen spreken.
    Zou dat dan een it’er zijn?

  7. Dan is het een echte it’er. It’ers nemen nooit de telefoon op. Ha, de telefoon, kom nou, niet zolang er een netwerk is.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *