Het kaftje

“Nee”, zei hij. “Ik heb nu geen tijd. Breng maar naar mijn bureau.” En hij legde neer. Terwijl ze aan de andere kant nog iets aan het zeggen waren over hoe de lift wellicht te klein was. Opnieuw telefoon. “Nee”, zei hij. “Ik kom niet naar beneden. Gedaan.” Daarop namen twee creatieven het prototype voorzichtig op en wandelden ermee naar de lift. De ene probeerde het oogje van de deur te bedekt te houden met zijn billen. De andere zocht naar de perfect te nemen bocht om het prototype naar binnen te manoeuvreren. Het ging niet. Ze lieten de lift schieten en namen het prototype terug mee naar de studio.

“Nee”, beet hij. “Ik kom niet kijken. Ik vertrek direct naar een vergadering.” Maar hij vertrok niet. Hij zat de hele middag in zijn bureau met de deur dicht. Hij belde naar één van zijn account managers en bestelde een koffie. Zij reageerde verontwaardigd, maar binnen een paar minuten stond er een mok op zijn bureau. “Dank u”, zei hij. Voor de rest verroerde hij geen vin. Hij belde zijn vrouw, maar die nam niet op, moest zich haasten om op tijd te zijn voor de kinderen. Hij belde zijn moeder, maar die nam ook niet op, zat zoals iedere woensdag patisserie te lepelen met een vriendin. Hij trok de lade van zijn bureau open, keek naar twee schone overhemden en zuchtte.

“Jazeker”, zei hij. “De afspraak van morgen gaat door. Het prototype is klaar. Ik heb het net goedgekeurd.” Hij loog, maar hij kon niet anders. Hij had schone overhemden, een extra stropdas en in zijn auto had hij de duurste kleerhangers uit de catalogus. Hij was zo efficiënt als een Dochter van het Kruis in de sacristie, behalve nu.
hij moest naar het toilet. Al de hele tijd en hij wist niet hoe. Eerst had hij gevoeld, daarna gekeken. Het was een ravage van draadjes en voering die hij niet gerepareerd kreeg. Niet met plakband. Niet met nietjes. Trouwens hij durfde zijn broek niet uit te doen, bang dat er iemand zou kloppen, dat hij niet meteen ja zou zeggen om tijd te winnen, dat de klopper zou binnenkomen en dat hij dan zonder broek bij de deur zou staan.

“Nee”, zei zij. “Ik kan nu niet komen. Ik ben aan het aërosollen met Jasper. Is je jas dan niet lang genoeg?” Hij deed zijn jas aan, trok eraan en boog naar achteren. “Nee”, antwoordde hij. “Het heeft geen zin. Die broek is doorgescheurd tot voorbij mijn kruis. Waar komt die broek eigenlijk vandaan? Want ik deed helemaal niks. Ik denk zelfs niet dat ik het bukken kan noemen.” Maar toen had zijn vrouw al ingehaakt. Er zat niets anders op dan te blijven zitten en te wachten tot de dag voorbij was. Hij keek met spijt naar de lege kop koffie op zijn bureau. Koffie drijft af. Hij keek naar de leaseplant in de hoek, kruiste zijn benen en beet door.

Om zeven uur hoorde hij niets meer. Hij stond al in de gang toen hij een deur hoorde dichtslaan. Hij sprong terug naar binnen en nam een kaftje uit de kast. Hij stond in de lift met het kaftje, stapte naar buiten met het kaftje en liep naar zijn auto met het kaftje. Vanuit het raam van de studio zagen twee creatieven hem instappen. Ze vonden dat hij raar deed, onder andere met dat kaftje.

(eerder verschenen in Vacature Magazine)

3 gedachten over “Het kaftje”

  1. Altijd leuk om over sneue tobbers te lezen. En als ze dan ook nog hevig moeten, is het helemaal te gek. ;-)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *