Het petekind en de mop

Hij vertelde een mop en hij lachte. Het was een onnozele mop. Het was geen mop. Het was een mop van Balthasar Boma. In de zomer was het bon ton. De Kampioenen kwamen alle dagen op tv. Uur of zeven. Dan haastte hij zich. Dan zag je hem door de keuken rennen met zijn pyjamabroek binnenstebuiten, om op tijd te zijn voor Bomo.

Ik zou een preek kunnen afsteken over Boma, over hoe hij een verspreider is van genitale jeuk. Ik zou luidop willen twijfelen aan het gesubsidieerde nut van iemand zoals Boma. Maar dit landsdeel vindt het blijkbaar belangrijk om ervoor te zorgen dat jongens en meisjes leren lachen met iemand zoals Boma. Tot Boma een Marokkaan is in Brussel. Dan zendt Canvas Femme de la Rue uit en is het ineens niet meer grappig.

Maar ik lachte toch, niet met de mop, maar met hem. Als hij zich ermee bemoeit, kan de wereld mij minder schelen. Ik weet ook niet wat het is, maar het is al een tijdje aan de gang. Terwijl ik hem vroeger niet kon uitstaan. Ik dacht dat ik het verkeerde petekind had gekregen. Echt waar, had het gekund, ik had hem geruild. En intussen zag ik op Facebook hoe al die andere meters en peters wel leuke uitstapjes maakten met hun petekind. Ik deed mijn best om het leuk te vinden, maar ik vond het altijd maar een beetje leuk.

Tot nu. Onderweg is er iets veranderd, iets aan hem of iets aan mij of iets aan ons allebei. Voortaan is er één iemand op aarde die mij kan laten lachen met een mop van Balthasar Boma: hij. Wij zijn voorbij de objectiveit geschoten, wij. Hahaha. Want laat ons wel wezen. Zijn lievelingsschoenen zijn sandalen mét sokken en de lekkerste pizza is volgens hem pizza van de Pizza Hut. En ik, ik haat Stratego en ik eet niet graag ijsjes omdat ijsjes te koud zijn.

En toch komt hij graag logeren. Ik was speciaal de lakens als hij komt. Want ik wil dat hij heerlijk slaapt, in een groot bed dat naar waspoeder ruikt. En ik leg boeken voor hem klaar, van Joke Van Leeuwen, omdat ik die zelf goed vind. ‘s Anderdaags gaan we meestal met de trein weg, want we zitten allebei graag in de trein. In de tunnel onder de perrons haal ik altijd dezelfde truc uit. Welk spoor? Welk spoor? Ik weet niet welk spoor! Hij moet zeggen welk spoor.

Hij is nog klein, maar als we oxo spelen bij het raam dan wint hij af en toe! Mja, ik ben soms gewoon te moe om op te letten. Terwijl hij nooit te moe is, voor niks. Hij wil overal naartoe lopen, heel hard. Mijnelievegod, er zit puf in dat lijf. Hij gooit zijn benen naar voren en naar achteren. Ik zou mijn ledematen mogen oprapen als ik het zou proberen. Maar zijn benen zijn sterk. Je moet die knieën zien! En zijn voeten zijn even groot als die van mij. Maat 37 alstublieft. Twintig jaar heb ik daarvoor moeten sparen!

Ik denk dat hij later een reus wordt, hij. We wandelden terug naar huis. Hij holde voorop, bleef achter, haalde me opnieuw in en vertelde een mop. En toen nam hij mijn hand vast! Wie neemt nu mijn hand vast? Het zijn er niet veel die dat ooit hebben gedurfd! Ik lachte en deed alsof ik het normaal vond, maar wat ik voelde was hoe mijn hand heel langzaam een mager pootje wordt.

(eerder verschenen in De Standaard Magazine)

Een gedachte over “Het petekind en de mop”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *