Ik ben uw tante

“Ik ben uw vriend niet. Ik ben uw tante”, zei ik. “Dat is wat anders. Daarom ga ik niet op het muurtje klimmen om mij door het struikgewas naar binnen te wringen. Ik ga gelijk fatsoenlijke mensen naar de speeltuin, langs het paadje.” Toen het zussenkind en ik uiteindelijk in de speeltuin waren, wilde ik alleen maar op een ressortbeestje zitten. Poink poink. Ik verbaas mij altijd over de spanning van die springveren. Overcapaciteit is het. Volgens mij kraken de beestjes eerder dan hun veren. Heus waar, er zal een dag komen dat ik met zo’n beestje tussen mijn knieën tussen de boomsnippers lig, omdat ik de force van het beestje heb overschat.

Enfin, een ressortbeestje tot daar, maar maar op de draaiende schijf ging ik niet lopen. Ik stond er maar wat te kijken en spuwde voorzienige woorden zoals: “Amai, gij kunt hard draaien. Straks moet ge nog overgeven.” Bovendien lag er een grote, bruine plas naast de schijf. Ik zag mezelf al met een modderneef terug naar huis hobbelen om aldaar een onderbroek met een minigulpje te drogen te hangen. (Waar trouwens? Nu het seizoen van de verwarming officieel is afgelopen. Ik kon het gulpje toch niet met een haardroger verschrikken. En nog minder zou ik het kind in de tussentijd comfort kunnen bieden met de kleinste van mijn eigen onderbroeken. Het zou zich alleen maar schamen, voor zijn piemel en voor mijn onderbroek.)

Goddank gebeurde er niks op de speeltuin. Ik zat op een bank en mijn neef gleed van de glijbaan. Hoe zou hij later zijn, als hij een man is, bedacht ik, met meer tanden en een toereikende woordenschat. (Later die middag vroeg hij mij, na het monsteren van notariële aankondigingen bij de bushalte, of een rijhuis een huis was met wielen.) In ieder geval, op de vraag wie hij later zou worden schoot mij het antwoord binnen op wie ik zélf ben geworden: een tante, een groot mens, iemand die nooit meer onder de tafel wil spelen, iemand geen zin heeft om draaischijven uit te proberen. Ik herinner mij nog hoe raar ik dat vroeger vond, volwassenen die de hele saaie middag op dezelfde stoel zaten te zitten. Ze wilden nooit wat, die lui.

Waar is de tijd dat ik mij bij iedere vloer, in shoppingcentra en parkeergarages, bij iedere bestrating, op zeedijken en in pijpenkoppen, afvroeg of de ondergrond glad genoeg was om erop te rolschaatsen. Waar is de tijd dat ik pijn kreeg in mijn wangen omdat ik zo blij was dat we gingen zwemmen. Terwijl ik nu alleen maar denk aan nat haar en badpakken die tussen mijn billen zullen schieten. Blijkbaar ben ik op de leeftijd gekomen dat bezwaren eerder komen dan de verheugenis. Trouwens, het is toch waar. Een vrouw die gaat zwemmen moet maken dat ze terdege is geëpileerd. Daar! Of al die zussenkinders komen weer met vervelende vragen.

Kortom, in de speeltuin werd mij duidelijk: ik ben de vrouw die ik als kind niet begreep. De hele dag ben ik energiebesparend in de weer. Ik doe alles om krachten en huishoudelijke taken tot een minimum te beperken. “Ik ben uw vriend niet”, schijnt zo’n vrouw ook te zeggen. “Ik ben uw tante.” Maar volgende keer gaan we rolschaatsen, mijn neef en ik.

(eerder verschenen in De Standaard Magazine)

 

5 gedachten over “Ik ben uw tante”

  1. Jaja , zo is ‘t .
    De realiteit beschreven vanuit de literaire toeschouwerstribune .
    Uit ‘t leven gegrepen maar nooit vertolkt .
    Pareltjes.
    grtjs

  2. Ik val ergens tussen uw zussenkind en de vrouw die je vroeger niet begreep, in. Denk ik.
    Maar als mijn toekomstig lot zo schoon wordt beschreven, dan ben ik plots minder bang om de glijbaan in te wisselen voor een gewone saaie stoel.

  3. wéten dat ge een tante zijt, dat vind ik ook al iets! streef daarnaar, zou ik zeggen.

  4. en bovenstaande onderstaande francis, ik ken u nog wel hoor, van de vlag en het baardje en de melikoeken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *