Mandarijntjestijd

Stukjes mandarijn, met verdroogde velletjes, ik moet er altijd van aan oma denken. Oma leeft niet meer, maar vroeger maakte ze soms pudding uit een pakje. Daarop legde ze stukjes mandarijn. Te vroeg. Zo rap kwamen wij nooit van school gehuppeld. Nog voor we aan de keukentafel zaten waren de mandarijntjes al schraal. Oma keek gewoon erg naar ons uit. Die dorre halvemaantjes waren een kwestie van graag zien. Nu nog kan ik teerhartig worden van mandarijntjes. Hun oranje is van velours. En hun tijd is die van roze avondluchten. 

Sinterklaas is koekjes aan het bakken, zei mijn moeder dan. Ik kleide een kaki engel die bij Jozef en Maria mocht staan. Ik zong Suuuuuhuuuuusa Nina, ’t hemelse hof in een arme stal. Ik koos drie nieuwjaarsbrieven voor vijf frank en gomde de potlood kantlijn uit zodra ze waren geschreven. Foutloos en zonder doorhalingen. Bij oma moest je niet afkomen met prullenwerk. Oma was een gepensioneerde onderwijzeres. Bij haar vroeg je je af wie beste zelf was en alleen die liet je je aan haar zien. Met tekeningen op taartkartonnetjes, met opgeloste vraagstukken of met een beleefd handje aan eerwaarde zuster Marie-Hubertine. Oma was streng, maar oma was ook ongeduldig. Dat proefde je aan de mandarijntjes op de pudding. Ze lagen er al te lang omdat ze niet kon wachten.

Oma is 100 jaar geworden, daarna ging ze dood. Iedereen vond het spijtig, behalve zij. Tien jaar eerder stond ze al met haar hoedje in de gang op haar mantel te wachten. Klokslag twaalf uur, na een berg fondueballetjes, gescheurd inpakpapier en een dik plak stronk met slagroom, ging ze naar huis met de woorden: Ik wens u allemaal het allerbeste en dat ik er volgend jaar niet meer bij moge zijn. Onzelieveheer had geen oor naar haar ongeduld, want drie oudejaarsnachten later stond ze nog altijd te zeggen dat ze er genoeg van had. Ze kon niet wachten. Ze kende alle dagen mensen op de overlijdenspagina’s in de krant. Zelfs de kindertjes die ze had leren rekenen zaten met Alzheimer. Het was niet fijn.

De enveloppen die we voor Nieuwjaar kreeg veranderden. Altijd straalde je naam zelfvertrouwen uit. De letters wisten hoe ze moesten krullen. Er zat geen twijfel in het geschrift van oma. Ze trok haar mantel aan en ging tijdig naar de bank voor briefjes geld. Wekenlang lagen er vijf enveloppen verborgen in de lade van de kast waarnaast ze zat. Maar op het einde waren er geen enveloppen meer. En nog eerder stond je naam treurig in de linkerbovenhoek van de omslag. Het midden was weg uit haar leven. Oma stond over de rand naar iets anders te kijken. Vroeger verwachtte ze ons al om halfvier en schikte om kwart over drie twee bloemetjes van mandarijn op de pudding. Om vier uur waren de velletjes opgedroogd. Het heeft jaren gekost voor ik de tederheid ervan opmerkte.

Nooit meer zit iemand met pudding op mij te wachten. De tijd voor manderijnen met droge velletjes is op. En de gang waar oma vroeger géén nieuw jaar stond te wensen staat leeg. Er is plaats aan de kapstok en het galmt in de paraplubak: Oma, wanneer eten we nog eens een mandarijntje?

(eerder verschenen in De Standaard Magazine)

3 gedachten over “Mandarijntjestijd”

  1. Da’s weer een kippenvelstukje, tante! Ik heb geen enkele oma gekend, en zeker geen proactieve zoals die van jou. Ze zit daarboven zeker te blinken dat je nu al de tederheid van de opgedroogde velletjes opmerkt.
    Mijn kleindochter heeft 4 grootmoeders, en ook nog een overgrootmoeder.
    Hier drogen dus heelder kilo’s mandarijntjes uit!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *