Mijn oor, mijn oor


Mijn oor is geen mooi oor. Het zit in de familie. Tante Gerarda hoort ook niet goed. Nonk Jang trok de batterij van zijn hoorapparaat uit als het bezoek begon te zeuren. En tante Odette heeft een plastieken stijgbeugel. Familiaal bezwaard ben ik. Ik herinner mij de kloppende koppijn nog uit mijn kindertijd. De zwelling kon geen kant uit, maar bleef proberen. De pijn schraapte langs de binnenkant van mijn jonge schedeltje. Ik wenste dat mijn vader mijn oor zou uitsnijden op de wijze van een ongewenste paardenbloem in de tuin. Een diepe steek met het patattenmes, een venijnige draai en ik was er voorgoed vanaf. Een ziek mens is bereid tot lelijke compromissen. Gelukkig had mijn moeder oordruppels. Die werden met verlossend gesis in mijn oorpijp geplensd. Daarna ging het beter, tot aan de volgende afspraak.

Ik had een abonnement op oorontstekingen. Met slecht gevolg tot op heden. Vorige week ben ik op controle geweest bij de specialist. “Mevrouw”, zei hij, “uw trommelvlies hangt erbij gelijk een oude circustent. Slap. Uw oor is geen mooi oor. Logisch dat uw perceptie op het randje is. Dat moeten we in de gaten blijven houden.”
Geen kans dat ik het vergeet. Als mijn zus belt, krijgen wij altijd ruzie omdat zij vindt dat ik én te hard roep én te veel wablief zeg. Als het vliegtuig landt helpt geen lievemoederen. Slikken, sjieken, ploppen, het is hopeloos. Mijn buis van Eustachius heeft een bocht te veel. Als ik op Zaventem naar de band sta te kijken tot mijn koffer voorbijkomt, hoor ik niks. Alleen maar gepiep. Mijn bassen laten te wensen over, zo bleek uit de laatste gehoortest, maar met mijn hoge tonen is alles tip top.

Mag ik daarom vragen om mij bij brandoefeningen een mail te sturen. Uiteraard is mijn oor een eindige zaak. Soms verheug ik er me zelfs op, op het meesterschap in eigen hoofd. Want laat ons wel wezen, geen zintuig is zo onderdanig als een oor. Het is een portier die altijd juist op het toilet zit, waardoor iedereen binnen mag: zeveraars, betweters en klaagzangers, allemaal met praat. Of stinkbrommers, instrumentale hits, instructies, achterklap, de stem van de meerderheid. Een oor maakt geen onderscheid. Had een oor een deur dan lag er een mat voor uit de Blokker: Altijd welkom. Het zal niet blijven duren. Ooit houdt het voorgoed op, kan ik kiezen wat ik wil. Aan of uit, even friemelen aan het knopje achter mijn oor, even morrelen aan de frequentie.

Echter voorlopig is alles bij het oude, stel ik het zonder knop of frequentie en wil ik pleiten voor een mail bij brandalarm. Even efficiënt. Vraag maar aan Ingrid Lieten. Qua paniek hoeft een mail niet onder te doen voor een sirene. “Dit is een brandoefening! Gelieve u zo snel mogelijk naar uw meldplaats te begeven en de lift niet te gebruiken.” Meer moet het niet zijn. Ik wil me voor de veiligheid gerust inbeelden dat ik samen met de collega’s zou sterven en dat ik van de warmte krom zou trekken bezijden de printer. Maar dat kan even goed in stilte, met respect voor mijn oor. Want mijn gebit is anders ook zo mooi niet.

(eerder verschenen in Vacature Magazine, met een tekening van Klaas Verplancke)

Een gedachte over “Mijn oor, mijn oor”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *