Ondankbare schepsels

“Ondankbaar schepsel. Wij zullen eens een stukje over u schrijven.” Mijn moeder en mijn zuster hebben geprobeerd mij te bedreigen. Met schriftelijkheden nota bene. Omdat ik twee dagen heb rondgereden met een bos bloemen op de achterbank. Terwijl zij vinden dat bloemen in een vaas horen. Hun verontwaardiging maakte geen indruk, veel minder indruk dan de bloemen zelf.
Natuurlijk horen bloemen niet krom te trekken in een koude auto aan de kant van de weg, maar daaruit besluiten dat ik geen manieren heb is overdreven. Ik heb gewoon geen vaas. Bovendien was ik wél blij met de bloemen.

Ik was niet thuis toen ze de bloemen brachten. Er lag een kaartje in de brievenbus waarop stond dat ik ze zélf moest gaan halen. Ook nog. Precies of ik had in alle drukte niets beter te doen dan parkeerplaats te zoeken bij een bloemenzaak. Waar lag die hele bloemenzaak trouwens? En wie dacht mij in godsnaam een plezier te doen met bloemen. Bloemen blijven niet duren, dat weet iedereen. Of nog erger, welk onnozel sujet had het plan opgevat om mij te vermurwen met een bosje bladeren. Ik heb geen prijs. En had ik wel een prijs, dan zou ik geheid een pak meer kosten dan een bloemenkee. Dat krijg je dus van fleurop.be, mensen die in het wilde weg bloemen zitten te bestellen op internet. Eén muisklik en er slaat iemand aan het bloemschikken.

Kortom, er waren bij voorbaat bezwaren. Maar ik kon het niet laten. De nieuwsgierigheid was te groot. En de treurnis van bloemen die niemand wil hebben deed me stilletjes aan de dood denken. Ik rap voor sluitingsuur dus toch naar die bloemenwinkel. De koperen belletjes boven de deur rinkelden. Het was lang geleden dat ik nog in een bloemenwinkel was, maar de geur was onmiskenbaar. In bloemenwinkels ruikt het altijd naar groen, nat en simpel. De cellodingen van Bach stonden op en ik kreeg een vreemde plant in de gaten, een soort beestje met negen groene stekels op een lange stengel, precies een oude kindertekening. Zo gemakkelijk was ik dus te vermurwen. In alle weekheid maakte ik melding een boeket dat voor mij was bestemd. “Van wie komen die bloemen eigenlijk”, vroeg ik. “Van uw collega’s”, antwoordde de mevrouw achter de houten toog.

Je had moeten zien hoe ik even later met een bos bloemen in mijn armen op de stoep stond te lachen. Een plaatje was het. En ik stak mijn neus diep tussen de karbonkels, de rozenbottels en de pluisbollen. Ik brak één bloem in de knop af om het kaartje helemaal te kunnen lezen. “Een eiland”, stond er, “kunnen we je niet sturen, wel wat malse dingen tegen de stress. Kop op! Je collega’s van Vacature.” Komt ervan, als je iedere week met klachten op de laatste bladzijde staat. Het schaamrood steeg me naar de kaken, maar verder liet ik me gedwee helememaal charmeren. Zelfs toen er onderweg naar huis iemand voor mij in schoot op het rond punt aan de kerk, ben ik blijven lachen. Daarom hebben die bloemen twee dagen op de achterbank gelegen! Voor al die andere ondankbare schepsels.

(eerder verschenen in Vacature)

4 gedachten over “Ondankbare schepsels”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *