Paaaaaah-paaaaaah!

Tot kwart voor acht liep alles gesmeerd. Op tafel stonden twee glazen met melk. De bananen waren geplet met Betterfood en platte kaas. Onze jas van Billie en Bollie hing aan de kapstok. De rest van de kleren lag klaar op de rand van het bad. Mijn zus en ik deden plichtsgetrouw onze kattenwas en kamden onze haren met nat. De ellende begon zodra we beneden kwamen. Vanaf een uur of acht kreeg ons karakter lelijk vorm. Na het routineuze braaf en voorzichtig zijn vertrok mijn moeder naar haar werk. Nauwelijks had zij de garagepoort gesloten, was de witte Fiesta uit het zicht verdwenen of daar trok mijn zus de voorraadkast al open om de Nesquik te pakken. Gulzig roerde zij twee grote lepels ersatz door de melk. Het poeder dreef in grote blazen in het glas.

Tot zover onze aangeboren boosaardigheid. Wat volgde is aangeleerde scheefte met verstrekkend gevolg. Na bijna dertig jaar zit ik nog steeds met traagheid geplaagd. Ik heb het van mijn vader en het wordt alleen maar erger. Ik ben er stellig van overtuigd dat ik méér dan een ander mijn best moet doen om op tijd op mijn werk te raken. Ik wéét dat het comfortabeler is om vroeger te vertrekken, maar ik doe het nooit. Hoe noemen ze zoiets? Een ratio die niet overtuigt? Een malle ziekte, dat is het, een halve familiekwaal die al veel heeft verknoeid.

Papaaaah! Paaaaah-paaaaaah! Wij moeten naar school! Komt ge naar beneden? Papa liet zich niet gemakkelijk opjagen. Pas nadat mijn zus en ik ieder om beurt twee keer aan de trap hadden staan roepen. En nadat de cijfers van de retrowekker op zijn nachtkastje wel vijftien keer in tweeën waren gespleten, denderde papa van de trappen af, namen mijn zus en ik met onze boekentas plaats op de achterbank. Drie tellen later stapte mijn vader ook in. Hij droeg een pyjama à la Captain Kirk, maar dan spannender, bruiner en heter gewassen. Met een kwalijk riekend veer van Peugeot reden wij naar school. Het vogelnest op het hoofd van mijn vader was legendarisch. Wij konden er wel om lachen, mijn zus en ik, maar eraan komen was wat anders. Het was een grillig mengsel van friezelhaar en bedpluis.

Wij staken drie kruispunten over, sloegen rechts in, links in en hielden onze adem in om zo weinig mogelijk ochtendstond in onze neus te krijgen. Dat wij zo laat waren was een voordeel. Niemand kon zien hoe wij bij de schoolpoort aankwamen Mijn zus en ik bleven roerloos zitten. Mijn vader keek ons in de achteruitkijkspiegel aan en mompelde: Allez, stap nu uit, straks zijt ge nog écht te laat. Het ging niet. Mijn zus trok aan de haak van het portier. Ik trok aan de haak van het portier. En mijn vader trok aan de haak van het portier. Wie hem nu nog niet geroken had, was eraan voor de moeite. Hij strekte zijn arm, leunde met zijn hele lijf over de handrem, tussen de zetels, naar achteren. Tevergeefs. Kinderslot. Waarop mijn vader brommend uitstapte. Op zijn sloffen en in zijn pyjama. Ik heb het altijd normaal gevonden. Het mag eigenlijk een wonder heten dat ik nooit in mijn nachtkleed op een ochtendvergadering ben verschenen.

(eerder verschenen in Vacature Magazine met een tekening van Klaas Verplancke)

Een gedachte over “Paaaaaah-paaaaaah!”

  1. Doodnormaal is dat. En het winteruur maakt het alleen maar erger.
    Ik heb ooit, in nachtkleed en kamerjas, zoons opgehaald van een fuif, om twee uur ‘s nachts. Even paniek als er dan op het parkeerterrein opeens een leerling van je op het raampje tikt, en “dag mevrouw, zijt gij hier ook?!” zegt. Wuiven met het handje en verder van krommenaas gebaren was mijn devies. En hopen dat er geen zatlap op u inrijdt, zodat ge alsnog moet uitstappen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *