Shampoo (zucht)

Wie de beste bedoelingen heeft met de natuur wast zijn haar maar beter nooit. Of toch niet te dikwijls. Het bewijs daarvan treft men veelal aan in de Bio-Planet. Uiteraard loopt niet de hele klandizie van de Bio-Planet te knisperen op de afdeling havermout. Daarvoor zitten er tegenwoordig te veel mensen aan de havermout. Bovendien staan er op de parking van de Bio-Planet altijd Volvo’s te blinken. Bestuurders daarvan houden het bij gecontroleerde nonchalance, wat helemaal iets anders is dan biologisch rot. Maar verder is de kans op pluiskoppen gewoon groter in  de Bio-Planet. Het kan niemand wat schelen. Ook de kinderen niet, die altijd iets oranje aan hebben dat al negen jaargetijden meegaat. Ik kijk altijd kwaad naar die kinderen. Ik weet niet waarom. Er is iets met hun vrijheid. Ze ruiken assertief. En hun haar is nooit gekamd.

Ik kam mijn haar ook soms niet, maar als ik naar de Bio-Planet ga, zorg ik altijd voor een dure handtas en kleinigheid van blingbling. Het ligt nu eenmaal in mijn aard om mij te distantiëren. Drie noten bon ton zijn genoeg. Een halve cadans van zes schoenen in dezelfde pas is al te veel. Dan moet ik gewoon manken en vals zingen. Maar goed. Ik kom soms in de Bio-Planet, want ik heb de beste bedoelingen met de natuur. Ik ben zélf composteerbaar, alstublieft! Net als alle mensen. Alleen van Lesley-Ann Poppe blijft misschien nog iets bestaan. Al heeft het allemaal geen belang in de Bio-Planet. Daar hoeft niemand zich te schamen voor zijn staat van bederf. Het hoort erbij. Het is van de natuur. En de rest is lelijke marketing.

Maar goed, ik was in de Bio-Planet met de beste bedoelingen en ik stond te bukken bij de shampoo. De literprijzen waren krankzinnig. Erger dan diesel. Wilder dan kerosine. Eigenlijk denk ik altijd hetzelfde als ik bij de shampoo sta te bukken. Dat van die prijzen, en dat ik géén lavendelshampoo mag kopen. Lavendelshampoo uit de Bio-Planet ruikt niet naar lavendel. Het ruikt naar petrochemie in Antwerpen. Ik ben daar al eens ingetrapt. Bij iedere bolwassing moest ik vloeken: “Stomme Jef Colruyt! Als ik droog ben zal ik hem eens googelen. Wedden dat die een kletskop heeft!” Uiteindelijk heb ik de fles in het putje uitgeknepen. Helemaal! Geen idee of het goed was voor de natuur.

“Anders moet ik deze keer een grote fles kopen”, beredeneerde ik in de Bio-Planet. “Hoe groter de bidon, hoe minder afval in de natuur.” En hop, ik met een liter shampoo naar huis, brandnetelextracten en berkensap incluis. De fles staat intussen anderhalf jaar in de hoek van de douche. Nochtans is met de geur niks mis. Het is de shampoo zelf. Die heeft de gelederen gesloten. Ik kan knijpen zo hard ik wil. Ik krijg er geen druppel meer uit. Zelfs als ik met mijn voet op de fles ga staan lukt het niet. Zodra ik mijn voet ophef slikt die fles alle shampoo terug in. Het is geen shampoo meer. Het is één reusachtige snotbel geworden, de fluim van een cycloop. Daar wil ik mijn haar niet mee wassen, en al zeker niet zonder kleren aan. Zeg!

Kortom, het is waar en het kost geen moeite: Wie de beste bedoelingen heeft met de natuur wast zijn haar vanzelf bijna nooit.

(eerder verschenen in De Standaard Magazine)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *