Sjappie

In het pak van mijn zus zat de dood. Het was een oude dood. Alleen daarom kon ik er zo blij mee zijn. Tenslotte ligt de natuur mij na aan het hart. Niet genoeg natuurlijk, want ik ben een mensenkind. En mensenkinderen vinden zichzelf altijd de allerliefste. Maar toch. Op mijn fiets plakte een sticker met Ik rem voor dieren en  ik herinner me nog een kraam op de markt, met konijnen. Ze hingen met de kop naar beneden aan een haak, gestroopt tot aan hun pootjes. Ze droegen botjes van eigen vel. Ik werd heet van verontwaardiging als ik met mijn moeder voorbij dat kraam moest. Dan kneep ik hard in haar hand en trok haar vooruit. Alles om de hak te vermijden. Want als iemand een konijn bestelde dan gingen die geluksbrengertjes eraf. Hak. Daar kreeg ik tranen van. En niet alleen omdat ik zelf een konijn had. Een zeehond heb ik namelijk nooit gehad en daar kreeg ik het ook van.

Enfin, ik deed de lintjes en de krullen opzij en scheurde het pak van mijn zus open. Daar was Sjappie. Het was liefde op het eerste gezicht. Jazeker, Sjappie was een tweedehands pelsjas, maar vroeger leefde hij. Ik aaide hem over zijn dunne haar en besloot van hem te houden. Sjappie, zei ik, het is me een genoegen, ook al wist ik niet precies wie hij was. Misschien was hij ooit een heel slimme wezel. Of misschien was hij wel drie slimme wezels, drie aan elkaar genaaide broers in één jas. De enige zekerheid is dat Sjappie al een hele poos dood is. Zijn haar valt uit als ik hem te hard streel. Het was een groot geluk op kerstavond. Want een nieuwe pelsjas hebben, mag niet. Of toch niet meer. Oma, ja, die maalde er niet om. Die heeft zichzelf nooit een slachter gevoeld. Nochtans maakte zij zelf kipkap en had zij een sjaal van pels, met de pootjes er nog aan. Het was vies, maar oma moest er alleen maar om lachen. Laatst vertelde mijn moeder nog hoe ze de pootjes altijd vasthield als ze gearmd met oma naar de markt ging.

Wat Urbanus zong over madammen met een bontjas kon me niets maken. Ik was in de wolken met Sjappie. Op kerstdag zaten we samen aan het ontbijt. Smakelijk, zei ik, en we aten een broodje uit de oven. Daarna gingen we naar het park, Sjappie en ik. Ik voelde me één met de wilde dieren van het bos. Het scheelde niet veel of een kraai kwam op mijn schouder zitten omdat hij Sjappie nog kende van vroeger.
Alleen als ik langs de autostrade ga tanken is het oppassen met Sjappie. Het was de context van carrosserie in de schemering. En het was een vergissing. Ik zou zweren dat ik mijn vriendin Valérie in die BMW zag zitten. Ik had al op het raampje getikt toen ik de snor zag. Valérie bleek een louche type en ik was de parkinghoer. Maar meestal gaat het goed. Laatst namen wij de trein naar Antwerpen om te gaan winkelen, kwamen wij onderweg een hoop bekenden tegen. Mensen met een pelsjas, die knikken naar elkaar zoals motards! Nog goed dat de meeste jassen geen pootjes meer hebben. We zouden nog wat beleven, verenigd in de dood. Want Sjappie leeft niet meer. Maar samen op de Meir waren wij uw pooier. Tenslotte zit in ieders pak een beetje dood.

(eerder verschenen in De Standaard Magazine)

4 gedachten over “Sjappie”

  1. De kraai die goeiendag kwam zeggen tegen Sjappie: ik heb een jaar of veertig geleden ook zoiets meegemaakt. Met ons cafévoetbalploegje deden wij een beroep op Bruno om te scheidsrechteren. Bruno was de trotse bezitter van een tamme ekster. Het beest had geleerd om te reageren op een fluitsignaal: tuut-tuut = komen eten.
    Wij hebben de match moeten onderbreken omdat Bruno zijn ekster thuis is moeten gaan opsluiten. Bij elke overtreding kwam de vogel namelijk aangevlogen en landde op de schouder van onze ondertussen bloedroodvanschaamteaangelopen arbiter.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *