Stinknootjes

“Is het wel normaal”, vroeg zij, “dat ik niet meer alle dagen zin heb. Terwijl ik vroeger wél alle dagen zin had. Véél zin. Altijd. Tot aan de blaasontsteking! And beyond de blaasontsteking! Wij gaven niet om jeuk of irritatie. Wij gingen door. Op onversneden passie. Hij ook.”
Maar sinds kort dus niet meer. Zij vond het niet normaal. Eerst had het haar verbaasd, maar nu was ze onomwonden ongerust. Over de seks. Over de liefde. Over het leven in het algemeen. Zo zijn veel vrouwen. Ze hebben oog voor het héle plaatje. Ze betrouwde het niet. Het vrat aan haar zelfvertrouwen. Helemaal.

Daarom gooide ze de kwestie op tafel, op een middag, los tussen de stinknootjes en de glazen wijn. Ze had behoefte aan een bemoedigend woord, soelaas en vertroosting. Ik vond dat ze overdreef, zoals ik meestal vind dat mensen overdrijven. Maar ik wilde mijn best doen. Vooreerst hield ik mijn mond over het voorwerp van haar liefde, een pummel van de sales. Zijn bonzende lid had een reputatie waar zij niets van afwist. Zolang kende zij hem nog niet, zolang werkte zij nog niet bij ons, maar dat was het punt niet. Hij was alles wat ze wilde. Hij was de perfecte minnaar, zei ze.

Voor ze met hem aan de rol was gegaan had ze lelijk stage gelopen bij mindere goden, getrouwde bazen, harde leermeesters en gewone beunhazen. Vijftien jaar lang had ze ander en beter verdiend. Ze had het allemaal gepikt omdat ze niet beter wist. Ervaring had ze ervan gekregen, en inzicht.
Tja, welk mens is wel direct op kruissnelheid? Ze had de miserie geduldig uitgezeten. Daarom was ze ook zo blij geweest toen hij ten tonele was verschenen. Hij was fris. Hij was grappig. Hij was een uitdaging. Hij gaf haar zin. Tot voor kort. Want de zin was weg. Of dat wel normaal was, vroeg zij. Ik vond van wel. Maar ik zei niets. Daar dienen goede vriendinnen voor.

Ik liet haar het woord. Hoe langer zij zou praten, hoe sneller de zin zou terugkomen. Dat was het plan. En dus bezong zij de hele middagpauze lang de pulsen van weleer, zijn lauwe bewijs van liefde, het klamme geluk, de hele rimram. Ik mompelde alleen maar wat. Temeer omdat dit nog altijd Vacature Magazine is. Het hoort hier over de arbeidsmarkt te gaan, over de geplogenheden van de werkvloer, niet over de een paar blauwe ellebogen na een rondje hondjes op de tapis plein. Trouwens, blauwe ellebogen had zij al een hele tijd niet meer gehad. De jeuk was weg. De zin was zoek. De perfectie van haar minnaar ten spijt.

Zo gaat het altijd. Want met liefde is het net zoals met werk. De volmaakte minnaar bestaat niet, net zo min als de ideale job. In het begin wel ja, maar nadien komt het vergif van de verwachting, de hoge verwachting en de nog hogere verwachting. De zin neemt af. De klachten komen. En de twijfel slaat toe. “Is het wel normaal”, vroeg zij. Ja, het was normaal, zeker met die pummel van de sales. En ook daarna bleef het normaal. Niemand heeft altijd zin. Niet in seks en niet in werk. Soms is het gewoon genoeg om blij te zijn dat de stinknootjes op zijn en de glazen leeg.

(eerder verschenen in Vacature Magazine, met een tekening van Klaas Verplancke)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *