Stopje

Poepsnoepje, zeggen ze, altijd met een verkleinwoord, om duidelijk te maken dat het pedagogisch is bedoeld. Mijn schoonbroer zei gatpraline. En zelf weet ik dat de grootste zetpil ter wereld in Oud-Heverlee staat, rechts van de oprijlaan naar DOVO, dienst voor opruiming en vernietiging van ontploffingstuigen. Ik ben daar ‘s nachts eens gestopt om foto’s te maken. De maan scheen zo mooi op die zetpil, dook ineens een militair met een hond op. Ik was rap weg, gleed door het donker naar huis, gelijk, nuja, gelijk een pijnstiller in een endeldarm. Want jongens toch, een stopje maakt zijn punt bizonder snel.

Voor de rest was ik het stopje zo goed als vergeten. Ik hield niet van stopjes. Ik moest altijd wenen van stopjes, met mijn knieën en mijn blote billen hoog op de ouderlijke bedsprei. Nu kan ik erom lachen, vind ik het een kosmisch tafereel, starring een kinderster en een raket. Dat had mijn moeder moeten zeggen! Dat het stopje een raam had! En dat er achter het raam een astronaut naar mij zat te wuiven! Maar ze zei alleen maar dat ik niet zo moest nijpen. Het begin van mijn spijsverteringsstelsel is altijd een pak groter geweest dan het einde ervan, zeg maar.

Onlangs moest ik zelf stopjes hebben, voor meneer vanden E., sinds enige tijd ons geleend zoontje. Hoe oud is hij, vroeg de apothekeres. Nul jaar, wilde ik zeggen, goed wetende dat nul jaar geen antwoord is. Of toch niet voor échte moeders. Nul jaar, dat is ermee lachen! Echte moeders rekenen in maanden en zo snel kon ik niet tellen. En het antwoord op de volgende vraag wist ik ook niet. Hoeveel weegt hij? Geen idee, een kilo of tien? Misschien. De apothekeres keek, de man achter mij keek ook en mijnheer vanden E. gebaarde koninklijk van niks. Nog goed! Ik ben meneer vanden E. dan ook erkentelijk voor meerdere meevallers. Stel je voor dat hij zijn gouden strot zou openzetten! Ik voelde mij nu al de kinderlokker van de steenweg.

Gelukkig zijn apothekeressen het gewoon om rare lieden discreet te bejegenen. Geen vragen, geen opmerkingen. Zij besloot mompelend tot een doosje van 200 milligram Perdolan, maximum drie suppo’s per dag. Tevreden wandelde ik naar buiten. Ik had stopjes gekocht. Het was gelukt. En ik wist ook al dat je trappen achterwaarts moet nemen als je met de buggy bent. Ik stond al bijna terug op de stoep toen de twijfel toesloeg. Ik wist niet… Ik wist niet… Ik had het ook thuis  kunnen googelen, maar die vraag wilde ik niet voor 100 jaar aan mijn IP-adres hebben hangen. En dus ging ik terug naar binnen. Het was allemaal voor het goed van mijnheer vanden E. Daarvoor alles, tot aan de grootste gêne en terug.

Wij stonden in de apotheek en ik hoorde mezelf vragen: Hoe diep stop je een stopje? Is zoiets nu een vraag? Natuurlijk niet! Behalve als je niet weet hoe ver je een stopje moet steken. De apothekeres keek enigszins vreemd op. Daarop maakte ik een centimeter aanschouwelijk op mijn pink. Zo ver? Maar de vrouw gaf geen krimp, sprak kort en kort en bondig: Tot je het niet meer ziet. Het mens heeft mij sindsdien niet meer terug gezien.

(eerder verschenen in De Standaard Magazine)

2 gedachten over “Stopje”

  1. Pedagogisch of niet: weg met de zetpil, gatpraline, poepsnoepje,…! (de naam alleen al) Weg ermee!

  2. Mijn kinderen gingen al enkel jaren naar Pukkelpop en Werchter toen ik leerde dat je zo’n stopje met het botte einde naar binnen moet steken, niet met het puntige. En voor mijn zieke kleinkind bleef ik bij hoog en bij laag beweren dat ze Balsoclase stopjes moesten steken in plaats van met die onnozele verdamper in de weer te zijn. Blijkt dat Balsoclase al jàren uit de handel is wegens niet veilig op een of ander vlak. Toch gaat het met al mijn nakomelingen nog altijd prima. Hopelijk zo ook met meneertje vanden E!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *