Vliegen zoals het hoort

Tegenwoordig is een trampoline basiscomfort. Behalve voor de kindertjes van spoedartsen die weten hoe scheef een kinderknookje kan komen te staan na een verkeerde tijgersprong. Voor de rest van het gespuis hoort een trampoline standaard bij een gelukkige jeugd. Vroeger niet. Vroeger was een trampoline een exotisch surplus. Ja, in de turnzaal stond er eentje, maar juffrouw Josée deed ons altijd volksdansen. Zo ging dat in de jaren 80. Wij moesten naar alles snakken, ook naar de trampoline. Maar voorts geen klachten. Mijn god, ik zou geld geven voor nog één keer de zomer van 1984, voor het totale ontslag van alle verantwoordelijkheid, voor de trampoline en voor het genot van 30 volleyballen die uit de kast donderden.

 

We schrijven de turnzaal. Die was leeg en voor ons alleen, mijn zus en ik. Terwijl mijn moeder haar werk deed. Zij was huismeesteres in een middelbare meisjesschool en als zij in de grote vakantie moest werken, nam zij ons mee. Het waren tijden. Wij droegen t-shirts van Billie en Bollie en raasden in onze Petit Bateaus recht naar de turnzaal. Daar was het eerste werk: de ballen uit de kast bevrijden en de dikke mat neerlaten. Met een plof en een wolk van meisjeszweet. Daarna doken wij het berghok in voor de trampoline, een mini-trampoline. Voor de reusachtige trampolinevellen van nu moest je destijds officieel acrobaat zijn. Het kon ons niet schelen. Ook een mini-trampoline was opperste weelde. Kinderopvang was géén opvang. Mijn moeder deed haar werk en mijn zus en ik gingen de hele middag als koningsapen tekeer. We stortten onze lijven van het klimrek op de dikke mat. We hingen verveeld aan de ongelijke leggers. We maakten ruzie. En we sprongen trampoline.

 

Ik kon driekwart salto’s maken en geloofde in de wonderbaarlijkheid van mijn eigen zweefrol. Twee tellen leek het alsof ik kon vliegen hoe een mens hoort te vliegen: zélf. Nooit meer in mijn leven ben ik zo overtuigd geweest van mijn eigen kunnen. Ook al hield de zweefrol turntechnisch op met een stumpige koprol en een kleine teleurstelling. Het deerde niet. Ik gooide mijn beentjes van de mat en sprong opnieuw. Heel veel sprongen maakten samen één hoge vlucht, tot mijn moeder haar administratie op orde had, de bestelling van nieuwe schoolboeken en de rekeningen van sommige leerlingen. Wisten wij veel. Af en toe verscheen haar hoofd in het vensterglas van de deur, maar zolang er geen gewonden vielen, moeide zij zich niet en er vielen geen gewonden. De middag was eindeloos. De vakantie duurde een eeuwigheid.

 

Weet je wat ik bedoel, dat gevoel. De zomer van 1984 is voorgoed weg. Ook al is een trampoline tegenwoordig basiscomfort en ook al spring ik op het vel van mijn neefje zo hoog dat ze mij tot in Lommel kunnen zien. De grote vakantie bestaat niet meer. En niemand vliegt zoals het hoort: zélf.

(eerder verschenen in Vacature Magazine)

6 gedachten over “Vliegen zoals het hoort”

  1. Al wakkert het woord ‘meesteres’ je fantasie aan, waarom bestaan bepaalde beroepen alleen in de mannelijke vorm?
    Onze taal is toch ingewikkeld hé! :-)
    Leuk, je herinneringen…

  2. Ja bij juffrouw Josée (die van Mater Dei bedoelt ge toch?) moesten we altijd
    de Hucklebuck dansen :)

  3. Tegenwoordig bestaan de huismeesters niet meer. Het zijn nu preventieadviseurs, en ze zullen elke medewerker verbieden om hun kinderen mee te brengen, laat staan: ze toegang tot de turnzaal te geven. De mijne hebben nog geskatet op een immense speelplaats, maar dat is ook al een eeuwigheid geleden. In de jaren ’90 kon zoiets ook nog. Daarna kon niets meer omwille van de veiligheid. Binnen 10 jaar zetten we ze allemaal onder een stolpje tot ze volwassen zijn.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *