Weer een stukje

Hier staat nu wel weer een stukje, maar zelf ben ik er niet. Ik zit deze week in een abdij, kamer 51, uitzicht op een binnentuin met waterpartij en frivool geknipte heggen. Zo kom je ze in de natuur niet tegen. De paters trouwens ook niet. Ze hebben witte jurken aan tot op de grond en ze hebben alle vertrouwen. Zo wilde pater Theo geen bevestiging voor mijn reservering en ook geen voorschot. Hij zou me wel zien opduiken.

Verder raadde hij me aan om zelf in zinvolle bezigheden te voorzien omdat hij heus geen tijd had om zich de hele tijd om mij te bekommeren. Klonk goed, vond ik. Verder sprak pater Theo over de natuur. Ze waren druk doende met het aanduiden van nieuwe wandelingen in het bos, maar helaas waren de paaltjes met de pijlen nog niet allemaal in de grond geklopt, zei pater Theo. Ook dat leek me een verademing. Voor de mens die zich inbeeldt dat hij voortdurend weet waar hij dringend, dringend moet zijn, is verloren lopen een luxe. Kortom, ik liet pater Theo weten dat ik kwam en boekte zes dagen abdij, inbegrepen lakens, handdoeken en drie maaltijden per dag.

Het begon zoals de ontspanning altijd begint: slecht. Drie minuten voor vertrek verstuurde ik de laatste mail. Pardon, kan nu niet meer antwoorden. Moet me haasten. Ga onthaasten. Tot volgende week. Daarna stoof ik de gang in met praktische vragen voor de spondeligger. Waar is mijn muts? Hebt gij mijn zwarte botjes laatst nog gezien? Zou die roze jas niet te opvallend zijn voor de paters? Die blauwe doe ik niet aan! Straks denken ze nog dat ik een kwezel ben.

De spondeligger zuchtte, legde mijn trolley in de koffer en plakte de gps op de voorruit. Ik dicteerde het adres. De gps antwoordde: Geïsoleerd gebied. Uw bestemming kan niet worden berekend. Nondedju. Zoek dan iets in de buurt. Sprinkhaanstraat! Onderweg zijn we nog gestopt om van stuur te wisselen omdat ik vond dat de spondeligger er niks van bakte, of toch niet snel genoeg. Ik wéét het. Ik wéét het. Veel werk is geen excuus. De smoes van stress is nooit groot genoeg om het gebrek aan goed fatsoen te kunnen overspannen.

Ik durf haast niet vertellen op welke manier we uiteindelijk de abdij hebben bereikt. Tegen de richting in, over een paadje in het bos, tussen drie Kempische fietsknooppunten door. Wee de fietsvriendinnen uit Nijlen (drie zadels met schapenvellen en ieder een hard fietskoffertje met handvat) die ons met veel verontwaardiging nakeken. Ik hield de raampjes dicht en reed door. De spondeligger sloeg zijn handen voor zijn ogen. Het waren geen manieren. Ook niet toen de abdij in zicht kwam en ik mijn trolley nijdig over de trappen naar boven sleurde. Ik wilde het vertrouwen van pater Theo niet beschamen, maar ik was toch te laat. Ingetogenheid en berusting waren niet aan de orde. Ik kon maar aan één ding denken: wifi. Nog geen twee seconden stond ik met mijn trolley in kamer 51 of ik stond al aan de vensterbank met mijn gsm te zwaaien. Meer bepaald, naar u. Want hier staat deze week wel weer een stukje, maar het had er beter niet gestaan.

(eerder verschenen in Vacature Magazine, met een tekening van Klaas Verplancke)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *