Zoek de eend

Het eendje staat op bladzijde 1080 in het verzamelde werk van Midas Dekkers. Zijn dierenstory’s zitten in een missaal met meer dan 2000 flinterdunne blaadjes, goed tegen de verveling onderweg. Het eendje heb ik al dikwijls gelezen. Ik heb het zelfs een keer overgeschreven en opgestuurd naar iemand met verdriet. Want Het eendje is een treurig verhaal, maar je kunt er toch om lachen. Omdat die eend te stom is om haar eigen leven te begrijpen en omdat de evolutie daar flink haar voordeel mee doet. Een eend met besognes staat haar eigen comfort in de weg en dat hebben ze in de natuur niet graag. Zorgen zijn nutteloze verzinsels. En troost vind je soms in een eend.

Maar terug naar de eend uit de praktijk. Zij heette Alida en zij had twaalf eieren gelegd die allemaal waren uitgekomen. De eend vond het vreemd dat haar nest begon te wemelen. Het zat ineens allemaal niet meer zo lekker onder de billen. Geambeteerd stond de eend op en dat was dat. ‘s Middags peddelde het hele gezelschap door het water, Alida en haar twaalf kindertjes, alsof het nooit anders was geweest. Daags nadien maakte Brigitte, de rat in het verhaal, er elf kindertjes van. Alida gaf geen krimp, plengde geen traan en zwom verder. Want eenden kunnen niet tellen. Het heerlijke aan niet kunnen tellen is dat je nooit wat mist, schrijft Midas Dekkers. Het kan goed zijn dat ze ooit hebben bestaan, eenden die wél kunnen tellen. Maar die zijn volgens Midas Dekkers waarschijnlijk uitgestorven van verdriet.

De sliert nakomelingen werd iedere dag korter. Pas toen de rat het allerlaatste kuiken had opgegeten (gelijk een bitterbal!), zag Alida het verschil. De eend stond voor een raadsel. Waar was iedereen in godsnaam gebleven? Maar ook die vaststelling noopte niet tot een drama. Voor een eend is het namelijk de normale toestand om voor raadselen te staan, zegt Midas Dekkers. Het raadsel staat een eend nader dan het gemis. En ook over dat raadsel snatert zij niet. Eenden zitten nooit te huilen op de oever. Zo komt het dat ik op verdrietige dagen aan de eend moet denken. Zoek de eend, zeg ik dan, terwijl ik mijn neus snuit. Zoek de eend. Wees godverdomme de eend! En dan blader ik voor de zoveelste keer naar Het eendje. De bladzijden zijn inmiddels vies geworden omdat ik mijn eigen verdriet niet versta.

Er is iets met verdriet. Verdriet is altijd bijzonder, veel bijzonderder dan geluk. Verdriet kan eindeloos verwondering wekken. Ik weet niet waarom. Verdriet steekt te vernuftig in elkaar en ik mis de bravoure van een eend. Geen mens die het ooit zal snappen. Ik schijt op de booswicht die verdriet heeft bedacht en ik schijt op de booswicht die geluk heeft bedacht. Yin, yang, ammehoela. Daarvoor is geluk veel te simpel. Geluk zit in een hoekje te wachten tot je eraan voorbijloopt. Een mens vraagt zich bijvoorbeeld zelden af waarom een hart blijft kloppen. Vergeleken met geluk is verdriet een dwingeland van de ergste soort. Bovendien heeft verdriet geen enkele zin én is het evolutionair totaal overbodig. Net als verhalen over eendjes eigenlijk.

(eerder verschenen in De Standaard Magazine)

2 gedachten over “Zoek de eend”

  1. Tja. Af en toe zou ik ook graag een eend zijn. Niet heel de dag aan honderzesentwintig dingen tegelijkertijd denken. Meer ‘Go with the flow’ zijn.
    Ik ben er wel niet van overtuigd dat ‘verdriet’ evolutionair overbodig is. Het zorgt er misschien voor dat je geen onbesuisde dingen doet na een tegenslag.
    En zou ‘t leven toffer zijn, zo zonder verdriet/geheugen/telvermogen?

  2. Da’s mooi.
    Ik vind verdriet vaak mooi. Het laat ons zien dat we in staat zijn tot liefhebben. Als het tenminste geen arme-ik-verdriet is.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *